Re: Enquête over drugsgebruik en religie en spiritualiteit
Hee allen, ik zal hier even wat dingen uit m'n verslag posten. Jammer genoeg was ik het op een gegeven moment helemaal zat om aan dit onderzoek te werken (ik was toe aan vakantie, best flauw, maar zo gaat het soms), dus heb ik het niet goed uitgewerkt. Dat is al te zien aan de inspiratieloze titel. Nogmaals dank voor jullie hulp

. Enfin, hier is het.
Drugsgebruikers en hun visie op spiritueel en religieus drugsgebruik
Abstract
In dit onderzoek is gekeken naar de visie van drugsgebruikers op spiritueel drugsgebruik. Het doel van het onderzoek is licht te werpen op de potentie van drugsgebruik met spirituele/religieuze strekking. Dit omdat drugs over het algemeen enkel negatieve aandacht krijgen. Het onderzoek vond plaats door een enquête op twee drugsfora op internet te plaatsen. Opmerkelijk is dat een zeer hoog percentage van de onderzoeksgroep zegt een spirituele ervaring onder invloed van drugs gehad te hebben. Tevens worden drugs door velen beschouwd als middel om vooruitgang mee te boeken op spiritueel gebied. De resultaten moeten echter kritisch bekeken worden omdat uitgegaan is van de definitie van de respondent als het gaat om de begrippen ‘spiritueel’ en ‘religieus’.
Introductie
Op vele plaatsen in de wereld worden bewustzijnsveranderende middelen gebruikt in religieuze en spirituele context. Gesteld kan worden dat deze middelen in de juiste set en setting [noot 1: Het concept van set en setting komt van Timothy Leary. Set wil zeggen de geestelijke staat van zijn waarmee iemand het drugsgebruik ingaat. Setting slaat op de fysieke en sociale omgeving waarin het gebruik plaatsvindt.] kunnen zorgen voor religieuze ervaringen; het zou kunnen gebeuren dat men de wereld voor het eerst in het licht van een bepaald betekenissysteem gaat zien [noot 2:
Handbook of the Psychology of Religion and Spirituality, Paloutzian & Park, p.354]. Er bestaat een groot scala aan natuurlijke en synthetische middelen die een veranderde bewustzijnsstaat veroorzaken, zoals respectievelijk de peyotecactus [noot 3: Deze plant bevat de stof mescaline, dat is een hallucinogeen. ‘Hallucinogeen’ is een algemene term die gebruikt wordt voor middelen die hallucinaties en bewustzijnsveranderingen teweeg brengen.] en de welbekende LSD. Het is gebruikelijk de grote verscheidenheid aan dergelijke stoffen te plaatsen onder de parapluterm ‘drugs’. Personen die ervoor kiezen om drugs te gebruiken, komen vaak voor problemen te staan, onder andere omdat drugsgebruik doorgaans afgekeurd wordt door mensen in hun omgeving of omdat het gebruik ervan wettelijk verboden is. Het is voor de meeste mensen moeilijk voor te stellen dat middelen die het bewustzijn beïnvloeden niet enkel negatieve effecten teweeg kunnen brengen bij gebruikers. De term drugs wordt veelal in verband gebracht met woorden als ‘gevaarlijk’, ‘verslavend’, en ‘ongezond’. Dikwijls wordt over het hoofd gezien dat dergelijke middelen voor verschillende culturen een cruciale rol spelen op het gebied van religie en spiritualiteit. Te denken valt bijvoorbeeld aan sjamanistische samenlevingen waarbinnen bewustzijnsverruimende planten gebruikt worden om in contact te komen met goddelijke entiteiten [noot 4: Een voorbeeld: de peyotecactus wordt door de Huicholindianen in Mexico onder andere met dit doel gebruikt.]. Ook in een land als Nederland zijn er drugsgebruikers te vinden die zoeken naar meer dan bijvoorbeeld enkel genot en plezier. Er bestaat zoiets als het ‘psychonautisme’ [noot 5: Deze term werd volgens G. Hellinga en H. Plomp voor het eerst door de Duitse schrijver Ernst Jűnger gebruikt, “een van de eersten die – samen met Albert Hofmann – experimenteerden met LSD.” Daarna werd de term overgenomen door Amerikaanse schrijvers. De volgende definitie wordt gegeven: “Een psychonaut is iemand die zeer bewust op bepaalde momenten entheogene middelen gebruikt, die hem of haar naar andere innerlijke werelden kunnen brengen. Niet om de werkelijkheid te ontvluchten, maar juist om de werkelijkheid, die een projectie is van onszelf, beter te kunnen begrijpen en daardoor sterker in het leven te staan. Een psychonaut is als het ware een ruimtevaarder in zijn eigen geest.” (
Uit je bol, 2005 (9e druk), p.13).], een sobere en serieuze manier van bewustzijnsverandering – onder andere door middel van drugs, maar ook op eclectische wijze gebruikmakend van andere methoden van bewustzijnsverandering, zoals meditatie – die gericht is op het verkennen van de eigen geest.
Zij die stellen dat bepaalde drugs spirituele en religieuze ervaringen kunnen opwekken, prefereren voor deze middelen de term ‘entheogenen’ in plaats van ‘psychedelica’ [noot 6:
Handbook of the Psychology of Religion and Spirituality, Paloutzian & Park, p.353]. Niet zelden komt men op bepaalde sites op internet ervaringsverslagen (tripverslagen) van drugsgebruikers tegen die een sterk spirituele, en soms religieuze, strekking hebben. De spirituele dimensie die geopend lijkt te kunnen worden door drugs vinden veel mensen fascinerend. Er is veel geschreven over religie en drugs [noot 7: De ‘Council on Spiritual Practices’ laat dit zien. Op haar website is een overzicht te vinden van artikelen en boeken over dit onderwerp welke meer dan 500 titels bevat. Zie http://www.csp.org/chrestomathy/a_chrestomathy.html]. Mijns inziens is het belangrijk om licht te werpen op het gebruik van drugs op spirituele wijze, omdat het kan bijdragen aan een minder negatief beeld over bewustzijnsveranderende middelen. De meningen die mensen over drugs hebben zijn grotendeels gebaseerd op vooroordelen, vooral doordat men niet beschikt over voldoende kennis over het onderwerp. Alleen al het feit dat alle drugs meestal over één kam gescheerd worden, terwijl er ontzettend veel verschillende soorten bestaan (waarvan de uitwerkingen ook sterk van elkaar kunnen verschillen), is hier een duidelijke indicatie van. Het is maatschappelijk gezien belangrijk om een blik te werpen op spiritueel en religieus gebruik van bewustzijnsveranderende middelen. Dit blijkt onder andere uit het ontstaan van de controverse omtrent hallucinogene paddestoelen in Nederland. Na enkele ernstige incidenten die verbonden waren aan onverantwoord gebruik van dergelijke paddestoelen (meestal door toeristen [noot 8: Op 24 maart 2007, bijvoorbeeld, pleegde een jonge Franse toerist zelfmoord door van een brug bij het Nemo te springen na het consumeren van paddo’s. Zie onder andere http://www.depers.nl/binnenland/112040/Paddos-verboden.html]), rezen er stemmen op, vooral de stem van Abraham Klink (minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), die zeiden dat een verbod op dit middel uit de natuur de noodzakelijk was. Tegenstanders van het verbod wezen er echter op dat het verbieden van hallucinogene paddestoelen de volksgezondheid niet ten goede komt (onder andere prof. dr. F.A. de Wolff, emeritus hoogleraar klinische en forensische toxicologie te Leiden), mede omdat de kwaliteit van paddestoelen in een ondergronds handelscircuit niet gewaarborgd kan worden en omdat mensen wellicht eerder geneigd zullen zijn om paddestoelen in het veld te zoeken met het risico per ongeluk verkeerde (giftige) soorten te plukken. Vele gebruikers voelden dat hun vrijheid bedreigd werd door buitenstaanders die weinig kennis van zaken hadden. Verder in het verleden is er tevens ophef geweest omtrent de vrijheid om drugs te gebruiken; het consumeren van ayahuasca (een sterk hallucinogene drank gemaakt van planten) binnen de religieuze beweging de Santo Daime werd ter discussie gesteld na een politie-inval in 1999 tijdens een rituele dienst van de groep. Uiteindelijk is in een rechtszaak in 2001 geconcludeerd dat de Santo Daime een beroep kan doen op het grondrecht van de godsdienstvrijheid en dat zij haar sacrament (de ayahuasca) in religieuze context mag gebruiken [noot 9: Zie “See how Santo Daime won its freedom in Holland” – http://www.santodaime.org/community/news/3005_holland.htm].
Uit controverses als deze blijkt dat er moeilijkheden bestaan omtrent de acceptatie van drugsgebruik, ook in religieuze (en spirituele) context, door buitenstaanders. Naast het gros van de bevolking accepteren institutionele religies als het christendom en de islam drugsgebruik niet. Empirisch onderzoek heeft aangetoond dat meer dogmatische personen religieuze ervaringen die door drugs tot uiting zijn gekomen niet als authentiek beschouwen, “despite the fact that outside of mainstream religions one of the most commonly cited triggers of mystical experience is entheogens” [noot 10:
Handbook of the Psychology of Religion and Spirituality, Paloutzian & Park, p.354]. In mijn onderzoek kijk ik niet naar de visie van de (religieuze) buitenstaander op drugsgebruik, maar naar de visie van de drugsgebruiker zelf. Deze keuze heb ik gemaakt omdat ik het belangrijk vind om te luisteren naar de stem van de gebruiker. Zoals omschreven, gaat er veel negatieve aandacht uit naar drugs, en dit is niet altijd terecht. Door te kijken naar de visie van de drugsgebruiker hoop ik te laten zien dat er een andere kant aan drugsgebruik kan zitten dan de kant die berucht is. De hoofdprobleemstelling van dit onderzoek luidt: (A) Hoe denken drugsgebruikers over het spirituele (en religieuze) gebruik van drugs? Subprobleemstellingen zijn: (1) In hoeverre hangt (A) af van de religieuze/spirituele achtergrond van de persoon? (2) In hoeverre heeft (A) te maken met de intentie van het drugsgebruik van de persoon? (3) Wat voor invloed heeft interesse in religie en spiritualiteit op (A)? (4) Heeft de visie op de echtheid [noot 11: Hiermee bedoel ik dat de ervaring niet als een waanbeeld of zijnde pure fantasie beschouwd wordt.] van een drugservaring te maken met (A)? (5) In hoeverre hangt de visie op de vrijheid om drugs te gebruiken samen met (A)? (6a) Wat is de rol van eigen spirituele en religieuze ervaringen van de persoon met betrekking tot (A)? (6b) Maakt het uit of deze eigen spirituele en religieuze ervaringen onder invloed plaats hebben gevonden? (7) Als het wereldbeeld van de persoon door drugsgebruik veranderd is in spirituele/religieuze zin, heeft dit dan invloed op (A)? Daarnaast wil ik kijken naar: (

Heeft een religieuze/spirituele achtergrond effect op de kans dat de persoon zelf religieuze/spirituele ervaringen heeft gehad? (9) Hangt de intentie van het drugsgebruik af van de religieuze/spirituele achtergrond van de persoon? (10) Wat is het verband tussen de religieuze/spirituele achtergrond van de persoon en zijn/haar interesse in religie/spiritualiteit? (11) In hoeverre heeft interesse in religie/spiritualiteit invloed op de eigen religieuze/spirituele ervaringen?
De hoofdprobleemstelling vraagt om een beschrijvende uitwerking, echter, de subprobleemstellingen hebben een verklarend karakter. Daaromtrent heb ik de volgende hypothesen opgesteld: (1) Indien de persoon een religieuze/spirituele achtergrond heeft, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (2) Indien de persoon met religieuze/spirituele intenties drugs gebruikt, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (3) Indien de persoon interesse heeft in religie/spiritualiteit, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (4) Indien drugservaringen als echt beschouwd worden, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (5) Indien de persoon vindt dat drugs in vrijheid gebruikt mogen worden, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (6a) Indien de persoon religieuze/spirituele ervaringen heeft gehad, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (6b) (6a) geldt in sterkere mate wanneer de persoon dergelijke ervaringen onder invloed van drugs heeft gehad. (7) Indien het wereldbeeld van de persoon door drugsgebruik veranderd is in spirituele/religieuze zin, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. (

Een religieuze/spirituele achtergrond verhoogt de kans op religieuze/spirituele ervaringen. (9) Indien de achtergrond van de persoon religieus/spiritueel is, is zijn/haar intentie van drugsgebruik eerder spiritueel. (10) Indien de achtergrond religieus/spiritueel is, heeft de persoon meer interesse in religie/spiritualiteit. (11) Indien men interesse heeft in religie/spiritualiteit, is de eigen ervaring eerder religieus/spiritueel.
Methode
Het domein dat onderzocht wordt in dit onderzoek bestaat uit drugsgebruikers die actief zijn op twee door mij geselecteerde drugsfora op internet anno 2008. Het eerste forum betreft http://www.drugsforum.nl en de tweede http://www.dhpforum.nl (de letters DHP staan voor De Hollandse Psychonaut). Beide zijn Nederlandstalige fora waar onder andere ervaringen met drugs gedeeld worden. Het aantal respondenten voor de enquête dat ik op het oog had, was minimaal 25. Ik heb van tevoren geen grenzen gesteld aan de leeftijd, opleiding, land van herkomst, religie en dergelijke.
Respondenten voor de enquête zijn geworven door het plaatsen van de enquête op beide fora op internet. Ingevulde enquêtes werden ofwel op het forum geplaatst (openbaar) ofwel naar mij opgestuurd via een persoonlijk bericht op het forum of naar mijn e-mailadres. Hoeveel mensen er benaderd zijn is onbekend; http://www.drugsforum.nl heeft ongeveer 7000 leden en http://www.dhpforum.nl heeft er ongeveer 2000, maar hoeveel leden er daadwerkelijk actief zijn op beide sites (en dus mijn enquête onder ogen hebben gekregen) is niet te achterhalen (waarschijnlijk is dat een gering percentage).
De gebruikte methoden zijn een diepte-interview gevolgd door een vragenlijstonderzoek oftewel enquête. Alle enquête- en interviewvragen zijn door mijzelf opgesteld. De volgende variabelen werden gemeten in de enquête:
(a) religieuze/spirituele achtergrond
(b) intentie van drugsgebruik
De intentie van drugsgebruik is gemeten met een open vraag, namelijk vraag 8:
Indien je drugs met een bepaald doel gebruikt: kun je vertellen met welk doel je welke drugs gebruikt? De antwoorden die gegeven zijn op deze vraag heb ik verdeeld in de categorieën ‘zelfontplooiing’, ‘kennis vergaren’, ‘spiritueel’, ‘medisch’ en ‘recreatief’. Bij nader inzien was het irrelevant om te vragen welke drugs men gebruikte, omdat het mij om de intentie te doen was. Echter, het kan wel informatie verschaffen over de groep die onderzocht is (dit kan belangrijk zijn met oog op de externe validiteit van het onderzoek).
(c) interesse in religie/spiritualiteit
(d) visie op de echtheid van een drugservaring
(e) visie op vrijheid om drugs te gebruiken
Bij de antwoorden die gegeven zijn op open vraag 17:
Wat vind je ervan dat geïnstitutionaliseerde religies (zoals het christendom) drugsgebruik doorgaans afkeuren? heb ik gekeken of de respondent wel of niet de (persoonlijke) vrijheid om drugs te gebruiken noemde in zijn/haar antwoord. Dit omdat ik deze vraag wilde betrekken bij de hypothese omtrent vrijheid om drugs te gebruiken. Daarnaast is er een vraag over legalisatie (nummer 19) en een vraag over risico’s van gebruik en vrijheid om te gebruiken (nummer 20) in de enquête opgenomen.
(f) eigen (religieuze/spirituele) ervaring
(g) veranderd wereldbeeld (in religieuze/spirituele zin) door drugsgebruik
(h) visie op spiritueel (en religieus) drugsgebruik
De onderwerpen (a) t/m (h) waren allen onderverdeeld in enkele vragen en/of stellingen, variërend in aantal. De meeste vragen hadden meerdere antwoordmogelijkheden, soms twee of drie, doorgaans vier en soms vijf, zes of zeven. De enquête bevatte daarnaast drie open vragen (5, 8 en 17). Niet alle vragen bleken bij nader inzien relevant te zijn voor mijn onderzoek. De volgende vragen heb ik niet bij de analyses van de resultaten betrokken (omdat ze niet (goed genoeg) pasten bij de probleemstelling(en)/hypothesen): 5, 6, 7, 9, 16, 18, 25, 26, 31, 34.
Het diepte-interview vond plaats op donderdag 8 mei van 16:40 tot 17:10u. De locatie was het Sarphatipark te Amsterdam. Ik heb het gesprek niet opgenomen, ik heb enkel notities gemaakt. De sfeer was informeel; we zaten in de zon in het gras. De geïnterviewde is een vriendin van mij. Ze volgt religiestudies aan de universiteit van Amsterdam en toont net als ik interesse in bewustzijnsveranderende middelen. Het interview had een semi-gestructureerd karakter (ik had van tevoren enkele punten/vragen genoteerd die ik aan bod wilde laten komen, maar ik heb geen bepaalde volgorde aangehouden en er was ruimte voor eigen inbreng). De onderwerpen die aan bod kwamen waren: drugsgebruik en een religieuze/spirituele levensstijl, het dreigende paddoverbod, drugs als middel om religieuze/spirituele vooruitgang mee te boeken, de echtheid van religieuze gevoelens onder invloed van drugs, slechte ervaringen met drugs, of religieuze ervaringen onder invloed van drugs vaak ‘per ongeluk’ gebeuren, religieuze ervaring(en) van de geïnterviewde, vooroordelen ten opzichte van psychedelica, en de posities die religies nemen tegenover drugsgebruik. De verdere inhoud van het interview wordt uiteen gezet in het gedeelte over de resultaten.
Resultaten
Algemeen
Er hebben 37 mensen gereageerd op de enquête. Slechts 8 daarvan zijn van het vrouwelijke geslacht, en 28 van het mannelijke geslacht. De leeftijden lopen uiteen van de categorie van 15 tot en met 19 jaar en de categorie van 30 tot en met 34 jaar, maar het grootste deel van de respondenten valt in de categorie van 20-24 jaar, namelijk 37.8%. 12 van de respondenten (32.4%) studeren aan de universiteit en 10 aan het HBO.
(a) religieuze/spirituele achtergrond
De enige religie die genoemd wordt door respondenten (met betrekking tot hun achtergrond) is het christendom. Iets meer dan de helft zegt geen religieuze opvoeding gehad te hebben (51.4%). Iets minder dan eenderde heeft een christelijke opvoeding gehad (29.7%). Een hoog percentage van 70.3 heeft geen spirituele opvoeding gehad. Verder noemt 75.7% zichzelf niet religieus. 54.1% noemt zichzelf spiritueel maar ziet zichzelf niet als aanhanger van een bepaalde richting, en 27% noemt zichzelf niet spiritueel.
(b) intentie van drugsgebruik
Slechts 18.9% gebruikt drugs met spirituele doelen, 83.8% gebruikt recreatief, 40.5% om kennis te vergaren, en 48.6% wegens zelfontplooiing.
(c) interesse in religie/spiritualiteit
16.2% van de respondenten heeft geen interesse in religie en 10.8% heeft geen interesse in spiritualiteit. Ongeveer eenderde (32.4%) houdt zich wel bezig met religieuze onderwerpen; hetzelfde aantal mensen houdt zich er een beetje mee bezig. 21.6% houdt zich er niet mee bezig. Meer mensen houden zich bezig met spirituele onderwerpen, namelijk 48.6%, en 35.1% houdt zich er een beetje mee bezig, terwijl slechts 8.1% zegt er niet mee bezig te zijn.
(d) visie op de echtheid van een drugservaring
67.6% vindt dat drugs tot echte religieuze en spirituele gevoelens kunnen leiden; 18.9% vindt dat het alleen tot echte spirituele gevoelens kan leiden.
(e) visie op vrijheid om drugs te gebruiken
45.9% vindt dat drugs gelegaliseerd moeten worden maar niet alle drugs; 40.5% vindt dat alle drugs gelegaliseerd moeten worden. 59.5% is het helemaal eens met de stelling “Of de risico’s van drugsgebruik opwegen tegen de mogelijke voordelen moet een persoonlijke keuze zijn die in vrijheid gemaakt moet kunnen worden”; 35.1% is het er mee eens; 5.4% is het er niet mee eens.
(f) eigen (religieuze/spirituele) ervaring
75.7% heeft geen religieuze ervaring zonder drugs gehad. 56.8% heeft wel een spirituele ervaring zonder drugs gehad. 75.7% heeft geen religieuze ervaring tijdens drugsgebruik gehad. 83.8% heeft wel een spirituele ervaring tijdens drugsgebruik gehad.
(g) veranderd wereldbeeld (in religieuze/spirituele zin) door drugsgebruik
Bij 54.1% is het wereldbeeld niet in religieuze zin veranderd; bij 16.2% is het wereldbeeld religieuzer geworden; bij 10.8% is het wereldbeeld minder religieus geworden. Bij 59.5% is het wereldbeeld in spirituele zin veranderd; bij 27% is het wereldbeeld niet in spirituele zin veranderd; bij 2.7% is het wereldbeeld minder spiritueel geworden.
(h) visie op spiritueel (en religieus) drugsgebruik
De meeste respondenten (35.1%) vinden spirituele/religieuze drugservaringen even veel waard als gewone drugservaringen. 29.7% vindt spirituele/religieuze drugservaringen iets meer waard dan gewone drugservaringen. 10.8% vindt spirituele/religieuze drugservaringen veel meer waard dan gewone drugservaringen. Een groot deel van het domein ziet drugs als middel om zowel spirituele als religieuze vooruitgang mee te boeken (48.6%), tevens ziet nog eens 40.5% drugs als middel om spirituele vooruitgang mee te boeken. Slechts 8.1% ziet drugs niet als middel om mee vooruit te komen op deze vlakken. Meer dan de helft van de respondenten zegt dat drugs religieus en spiritueel belang kunnen hebben (56.8%), en 32.4% meent dat drugs (enkel) spiritueel belang kunnen hebben. Een zeer gering percentage (5.4%) vindt dat drugs geen spiritueel/religieus belang kunnen hebben. Over de vraag of religieus/spiritueel drugsgebruik te prefereren is boven gebruik voor de lol zijn de meningen verdeeld; 45.9% vindt van wel en tevens 45.9% vindt van niet. Een spirituele/religieuze drugservaring in vergelijking met spirituele/religieuze niet-drugservaring [noot 12: Hiermee bedoel ik spirituele/religieuze ervaringen die niet door drugs tot stand zijn gekomen, maar bijvoorbeeld door meditatie, vasten of andere (spirituele/religieuze) praktijken.] wordt door de meeste respondenten als even veel waard beschouwd (48.6%). 16.2% vindt dat de ervaringen niet met elkaar te vergelijken zijn. Slechts 5.4% vindt drugservaringen iets minder waard dan niet-drugservaringen.
Correlaties en resultaten uit kruistabellen (dit heb ik weggelaten, omdat m'n bericht te lang was en omdat dit een saaie opsomming van cijfers was)
Beschrijving inhoud interview
Drugsgebruik is volgens de geïnterviewde goed verenigbaar met een religieuze/spirituele levensstijl (ze vroeg zich wel af wat ik precies bedoelde met ‘religieus’ en ‘spiritueel’ – ik heb haar geen definitie gegeven maar gezegd dat ze uit moest gaan van haar eigen ideeën hieromtrent). De geïnterviewde stelt dat drugs bepaalde kanten (zowel goede als slechte) naar boven kunnen halen, in spirituele zin. Ze vindt het paddoverbod erg, omdat de gebruikers ervan niet gevaarlijk zijn en enkel ‘op zoek’ zijn; zoiets moet niet onderdrukt worden. Drugsgebruik kan een bron van kennis zijn. De religieuze/spirituele waarde van drugs moet echter ook niet overschat worden; drugs moeten als aanvulling op wat een persoon doet gezien worden. Door drugs opgewekte gevoelens zijn niet per se niet echt. De geïnterviewde noemt hierbij het gebruik van drugs in verschillende religieuze contexten. Ze zegt wel meer respect te hebben voor mensen die zonder drugs zo ver komen, maar dat sommige mensen gewoon een duwtje in de rug nodig hebben. Slechte ervaringen met drugs kunnen uiteindelijk goede dingen tot gevolg hebben, ze ziet het als een leerproces. Zelf heeft ze iets religieus ervaren toen ze tijdens een paddotrip kerkramen zag. Ze vraagt zich af waarom ze juist dat zag. Ze gelooft dat wat je meemaakt in een trip uit jezelf komt, dat je contact kunt maken met dingen in jezelf waar je normaal geen contact mee hebt. Met vooroordelen valt het uiteindelijk wel mee, vindt ze, hoewel ze wel degelijk bestaan. Wat betreft afkeuring van drugsgebruik door religies benadrukt ze dat er uitzonderingen bestaan. Ze denkt wel dat er een verband is tussen afkeuring door institutionele religie en de politiek omdat kritisch denken door beiden ongewenst is.
Antwoord op de hoofdprobleemstelling
De hoofdprobleemstelling (A) “Hoe denken drugsgebruikers over het spirituele (en religieuze) gebruik van drugs?” is beantwoordt op beschrijvende wijze. Opvallende percentages: 48.6% ziet drugs als middel om zowel spirituele als religieuze vooruitgang mee te boeken. 40.5% ziet drugs als middel om spirituele vooruitgang mee te boeken. 56.8% zegt dat drugs religieus en spiritueel belang kunnen hebben. 32.4% zegt dat drugs spiritueel belang kunnen hebben. 45.9% vindt dat religieus/spiritueel drugsgebruik te prefereren is boven gebruik voor de lol.
Uitkomsten m.b.t. de hypothesen
(1) Indien de persoon een religieuze/spirituele achtergrond heeft, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat deze hypothese voor enkele variabelen klopt:
* Mensen met een religieuze opvoeding waarderen spiritueel/religieus drugsgebruik in vergelijking met een gewone drugservaring eerder positief (9 van de 16) dan mensen zonder religieuze opvoeding (5 van de 1

.
* Mensen die zichzelf religieus noemen vinden religieus/spiritueel drugsgebruik eerder te prefereren boven gebruik voor de lol (7 van de 8 ) dan mensen die zichzelf niet religieus noemen (10 van de 26).
* Mensen die zichzelf spiritueel noemen vinden eerder dat drugs religieus/spiritueel belang kunnen hebben (21 van de 22) dan mensen die zichzelf niet spiritueel noemen (6 van de 8 ).
* Mensen die zichzelf spiritueel noemen vinden religieus/spiritueel drugsgebruik eerder te prefereren boven gebruik voor de lol (14 van de 19) dan mensen die zichzelf niet spiritueel noemen (2 van de 10).
(2) Indien de persoon met religieuze/spirituele intenties drugs gebruikt, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese voor slechts één variabele klopt:
* Mensen die met spirituele doeleinden drugs gebruiken vinden religieus/spiritueel drugsgebruik eerder te prefereren boven gebruik voor de lol (6 van de 7) dan mensen die niet met spirituele doeleinden gebruiken (11 van de 26).
(3) Indien de persoon interesse heeft in religie/spiritualiteit, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese beperkt klopt:
* Mensen die geïnteresseerd zijn in religie vinden eerder dat religieus/spiritueel gebruik te prefereren is boven gebruik voor de lol (13 van de 20) dan mensen die niet geïnteresseerd zijn in religie (0 van de 5).
* Mensen die geïnteresseerd zijn in spiritualiteit vinden eerder dat religieus/spiritueel gebruik te prefereren is boven gebruik voor de lol (16 van de 2

dan mensen die niet geïnteresseerd zijn in spiritualiteit (0 van de 4).
(4) Indien drugservaringen als echt beschouwd worden, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat er geen verbanden zijn tussen deze variabelen.
(5) Indien de persoon vindt dat drugs in vrijheid gebruikt mogen worden, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese voor slechts één variabele klopt:
* Mensen die voor het legaliseren van alle drugs zijn vinden religieus/spiritueel drugsgebruik eerder te prefereren boven gebruik voor de lol (10 van de 15) dan mensen die voor het legaliseren van niet alle drugs zijn (5 van de 16).
(6a) Indien de persoon religieuze/spirituele ervaringen heeft gehad, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat er geen verbanden zijn tussen deze variabelen.
(6b) (6a) geldt in sterkere mate wanneer de persoon dergelijke ervaringen onder invloed van drugs heeft gehad. Gebleken is dat de hypothese zeer beperkt klopt (deze hypothese kan verworpen worden):
* Mensen die een religieuze ervaring hebben gehad tijdens drugsgebruik vinden eerder dat drugs religieus en spiritueel belang kunnen hebben (8 van de 8 ) dan mensen die geen religieuze ervaring hebben gehad tijdens gebruik (13 van de 26 (echter: nog eens 12 vinden dat het enkel spiritueel belang kan hebben, oftewel 25 van de 26 vinden dat drugs spiritueel belang kunnen hebben)).
(7) Indien het wereldbeeld van de persoon door drugsgebruik veranderd is in spirituele/religieuze zin, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese voor enkele variabelen klopt:
* Mensen bij wie het wereldbeeld in religieuze zin is veranderd vinden eerder dat religieus/spiritueel drugsgebruik te prefereren is boven gebruik voor de lol (7 van de 9) dan mensen bij wie het wereldbeeld niet in religieuze zin is veranderd (7 van de 19).
* Mensen bij wie het wereldbeeld in spirituele zin is veranderd vinden eerder dat drugs tot religieuze/spirituele vooruitgang kunnen leiden (23 van de 23) dan mensen bij wie het wereldbeeld niet in spirituele zin is veranderd (7 van de 10).
* Mensen bij wie het wereldbeeld in spirituele zin is veranderd vinden eerder dat religieus/spiritueel drugsgebruik te prefereren is boven gebruik voor de lol (13 van de 20) dan mensen bij wie het wereldbeeld niet in spirituele zin is veranderd (2 van de 10).
(

Een religieuze/spirituele achtergrond verhoogt de kans op religieuze/spirituele ervaringen. Gebleken is dat de hypothese voor enkele variabelen klopt:
* Mensen die zichzelf religieus noemen hebben eerder een religieuze ervaring zonder drugs (5 van de 9) dan mensen die zichzelf niet religieus noemen (3 van de 27).
* Mensen die zichzelf spiritueel noemen hebben eerder een religieuze ervaring zonder drugs (7 van de 21) dan mensen die zichzelf niet spiritueel noemen (0 van de 10).
* Mensen die zichzelf spiritueel noemen hebben eerder een spirituele ervaring zonder drugs (17 van de 22) dan mensen die zichzelf niet spiritueel noemen (1 van de 10).
(9) Indien de achtergrond van de persoon religieus/spiritueel is, is zijn/haar intentie van drugsgebruik eerder spiritueel. Gebleken is dat er geen verband is tussen deze variabelen.
(10) Indien de achtergrond religieus/spiritueel is, heeft de persoon meer interesse in religie/spiritualiteit. Gebleken is dat de hypothese klopt voor enkele variabelen:
* Mensen die zichzelf religieus noemen hebben meer interesse in spiritualiteit (9 van de 9, waarvan 7 zeer veel) dan mensen die zichzelf niet religieus noemen (22 van de 28, waarvan 9 zeer veel).
* Mensen die zichzelf spiritueel noemen hebben meer interesse in religie (18 van de 22, waarvan 11 zeer veel) dan mensen die zichzelf niet spiritueel noemen (3 van de 9, waarvan 0 zeer veel).
* Mensen die zichzelf spiritueel noemen hebben meer interesse in spiritualiteit (22 van de 22, waarvan 15 zeer veel) dan mensen die zichzelf niet spiritueel noemen (5 van de 10, waarvan 0 zeer veel).
(11) Indien men interesse heeft in religie/spiritualiteit, is de eigen ervaring eerder religieus/spiritueel. Gebleken is dat de hypothese klopt voor enkele variabelen:
* Mensen die interesse in religie hebben, hebben eerder een spirituele ervaring zonder drugs (16 van de 22) dan mensen die geen interesse in religie hebben (0 van de 6).
* Mensen die interesse in religie hebben, hebben eerder een spirituele ervaring tijdens drugsgebruik (21 van de 22) dan mensen die geen interesse in religie hebben (3 van de 6).
* Mensen die interesse in spiritualiteit hebben, hebben eerder een religieuze ervaring zonder drugs (8 van de 30) dan mensen die geen interesse in spiritualiteit hebben (0 van de 4).
* Mensen die interesse in spiritualiteit hebben, hebben eerder een spirituele ervaring zonder drugs (20 van de 31) dan mensen die geen interesse in spiritualiteit hebben (0 van de 4).
* Mensen die interesse in spiritualiteit hebben, hebben eerder een religieuze ervaring tijdens drugsgebruik (8 van de 30) dan mensen die geen interesse in spiritualiteit hebben (0 van de 4).
* Mensen die interesse in spiritualiteit hebben, hebben eerder een spirituele ervaring tijdens drugsgebruik (28 van de 31) dan mensen die geen interesse in spiritualiteit hebben (2 van de 4).
* Mensen die zich bezighouden met spirituele onderwerpen, hebben eerder een spirituele ervaring zonder drugs (15 van de 21) dan mensen die zich niet bezighouden met spirituele onderwerpen (4 van de 13).
* Mensen die zich bezighouden met spirituele onderwerpen, hebben eerder een spirituele ervaring tijdens drugsgebruik (19 van de 21) dan mensen die zich niet bezighouden met spirituele onderwerpen (10 van de 13).
* Mensen die zich bezighouden met religieuze onderwerpen, hebben niet eerder een spirituele ervaring tijdens drugsgebruik (16 van de 20) dan mensen die zich niet bezighouden met religieuze onderwerpen (11 van de 12).
Discussie
De hoofdprobleemstelling luidde: (A) Hoe denken drugsgebruikers over het spirituele (en religieuze) gebruik van drugs? De hypothesen luidden: (1) Indien de persoon een religieuze/spirituele achtergrond heeft, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat deze hypothese voor enkele variabelen klopt; de hypothese is dus deels bevestigd. (2) Indien de persoon met religieuze/spirituele intenties drugs gebruikt, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese voor slechts één variabele klopt. (3) Indien de persoon interesse heeft in religie/spiritualiteit, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese beperkt klopt. (4) Indien drugservaringen als echt beschouwd worden, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat er geen verbanden zijn tussen deze variabelen; deze hypothese is verworpen. (5) Indien de persoon vindt dat drugs in vrijheid gebruikt mogen worden, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese voor slechts één variabele klopt. (6a) Indien de persoon religieuze/spirituele ervaringen heeft gehad, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat er geen verbanden zijn tussen deze variabelen. (6b) (6a) geldt in sterkere mate wanneer de persoon dergelijke ervaringen onder invloed van drugs heeft gehad. Gebleken is dat de hypothese zeer beperkt klopt (deze hypothese kan verworpen worden). (7) Indien het wereldbeeld van de persoon door drugsgebruik veranderd is in spirituele/religieuze zin, is de visie op spiritueel drugsgebruik positiever. Gebleken is dat de hypothese voor enkele variabelen klopt. (

Een religieuze/spirituele achtergrond verhoogt de kans op religieuze/spirituele ervaringen. Gebleken is dat de hypothese voor enkele variabelen klopt. (9) Indien de achtergrond van de persoon religieus/spiritueel is, is zijn/haar intentie van drugsgebruik eerder spiritueel. Gebleken is dat er geen verband is tussen deze variabelen. (10) Indien de achtergrond religieus/spiritueel is, heeft de persoon meer interesse in religie/spiritualiteit. Gebleken is dat de hypothese klopt voor enkele variabelen. (11) Indien men interesse heeft in religie/spiritualiteit, is de eigen ervaring eerder religieus/spiritueel. Gebleken is dat de hypothese klopt voor enkele variabelen.
Het merendeel van de respondenten heeft geen religieuze of spirituele opvoeding gehad en het merendeel noemt zichzelf niet religieus, terwijl meer dan de helft zichzelf wel spiritueel noemt. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat mensen spiritualiteit positiever benaderen dan religie; spiritualiteit wordt mogelijkerwijs in verband gebracht met individuele en zelfstandige ontwikkelingen terwijl religie als iets institutioneels gezien wordt waar niet veel ruimte is voor eigen inbreng. Deze verklaring kan ook toegepast worden op het feit dat veel respondenten zeggen een spirituele ervaring gehad te hebben, terwijl religieuze ervaringen weinig gemeld worden. Echter, een andere verklaring voor dit resultaat kan zijn dat de term ‘spiritueel’ breder opgevat kan worden dan ‘religieus’, en dat respondenten religieuze ervaringen onderbrengen onder de term spiritueel terwijl dat omgekeerd niet snel kan. Deze verklaringen spelen daarnaast mogelijk een rol bij het feit dat het wereldbeeld eerder in spirituele dan in religieuze zin veranderd is voor de respondenten die melden dat hun wereldbeeld veranderd is door drugsgebruik. Weinig mensen hebben geen interesse in religie/spiritualiteit. Dit komt misschien door het feit dat religie en spiritualiteit beide brede begrippen zijn, evenals het begrip interesse. Bijna iedere respondent vindt dat drugs tot echte spirituele gevoelens kunnen leiden (dit in tegenstelling tot meer dogmatische personen in eerder empirisch onderzoek, welke religieuze drugservaringen niet als authentiek beschouwen, zoals vermeld in de introductie). Een verklaring is dat de grens tussen wat echt is en wat niet qua spirituele ervaringen sowieso lastig te trekken is. Misschien zijn de meeste respondenten van mening dat een ervaring echt spiritueel is wanneer degene die het ervaart vindt dat zijn/haar ervaring spiritueel is (wat pleit voor deze verklaring is dat zeer veel respondenten zeggen een spirituele ervaring gehad te hebben, al dan niet onder invloed van drugs). Dit is een puur subjectieve en niet te controleren standaard, die mijns inziens voor- en nadelen heeft (een voordeel is bijvoorbeeld dat het recht doet aan persoonlijke ervaringen en meningen, een nadeel is onder andere dat de standaard eigenlijk geen standaard is, waardoor onduidelijk is of men het over hetzelfde fenomeen heeft). De meeste respondenten zijn voor legalisatie en vinden dat drugs in vrijheid gebruikt moeten kunnen worden. Mijns inziens is dit logisch omdat drugsgebruikers vaak te maken krijgen met afkeurende reacties op hun gebruik (wat niet prettig is) en omdat het gebruik van vele drugs wettelijk verboden is. Gebruikers zelf zijn meestal van mening dat buitenstaanders niet weten waar ze over spreken en dat ze niets te zeggen zouden moeten hebben over hun individuele keuze om te gebruiken. Vaak streven drugsgebruikers ernaar dat hun gebruik geaccepteerd wordt en dat hun vrijheid om te gebruiken vergroot wordt (bijvoorbeeld middels legalisatie). Het merendeel vindt spirituele/religieuze drugservaringen meer waard dan gewone drugservaringen. Een verklaring kan zijn dat spirituele/religieuze drugservaringen een diepe indruk maken, samenhangen met niet-alledaagse, ‘grotere’ kwesties in het leven en kunnen zorgen voor een andere kijk op het leven, terwijl gewone drugservaringen wellicht interessant en leerzaam zijn maar de mens op een minder diep/wezenlijk niveau raken en beïnvloeden. Slechts een zeer gering percentage ziet drugs niet als middel om religieuze/spirituele vooruitgang mee te boeken, en ook een zeer gering percentage zegt dat drugs geen spiritueel/religieus belang kunnen hebben. Mogelijk is dit te verklaren aan de hand van het feit dat zeer veel respondenten zelf een spirituele ervaring hebben gehad onder invloed, waardoor het logisch is dat zij van mening zijn dat drugs spirituele vooruitgang kunnen veroorzaken en spiritueel belang kunnen hebben. Het aantal respondenten dat religieus/spiritueel drugsgebruik prefereert boven gebruik voor de lol is even groot als het aantal respondenten dat dit gebruik niet prefereert boven gebruik voor de lol. Wat hier een verklaring voor is, is mij onduidelijk. Een religieuze/spirituele ervaring die niet door drugs opgewekt is, vinden de meeste respondenten even veel waard als een spirituele/religieuze drugservaring. Blijkbaar maakt het niet uit op welke manier de spirituele/religieuze ervaring tot stand is gekomen, het gaat om de ervaring zelf.
Hypothesen (1), (3), (7), (

, (10) en (11) kloppen voor enkele variabelen. Hypothesen (2) en (5) kloppen slechts voor één variabele. Hypothesen (4), (6a), (6b) en (9) kunnen verworpen worden. Een probleem bij het beoordelen of de hypothesen geldig zijn of niet, is mijn methode geweest. Hypothese (1) betreft bijvoorbeeld ‘spirituele/religieuze achtergrond’ en ‘visie op spiritueel drugsgebruik’. De spirituele/religieuze achtergrond is in de enquête gemeten aan de hand van vier vragen (welke geen ‘scale’ in SPSS vormden), en de visie op spiritueel drugsgebruik is gemeten met zeven vragen (ook geen ‘scale’). Eigenlijk heeft hypothese (1) dus te maken met 11 variabelen, en niet twee. Er bleken enkele correlaties te bestaan tussen deze 11 variabelen, maar veel variabelen hangen niet met elkaar samen. Van hypothese (1) kan enkel gezegd worden dat deze gedeeltelijk klopt. Dit geldt ook voor de hypothesen (3), (7), (

, (10) en (11). Hypothesen (2) en (5) zijn nog minder gemakkelijk te onderbouwen een de hand van de resultaten aangezien slechts één variabele correleert met een andere. De overige hypothesen kunnen verworpen worden, want zij vertoonden geen significante correlaties.
Ik ben mij ervan bewust dat mijn betrokkenheid bij en interesse in het onderwerp mijn objectiviteit als onderzoeker hier en daar beïnvloed kan hebben. Voor mijzelf is dat lastig te beoordelen. Een andere reden dat niet alle verwachtingen uitgekomen zijn, is dat de door mij toegepaste methode gebreken vertoont, zoals ik hierboven aangegeven heb. Wat daarnaast een rol kan spelen, is dat vragen door respondenten anders geïnterpreteerd zijn dan hoe ik ze bedoeld had. Dit gaat ten koste van de begripsvaliditeit. Eén respondent gaf bijvoorbeeld aan dat het bij verschillende vragen in de enquête niet duidelijk is of het over het algemene of over het persoonlijke gaat (bijvoorbeeld: of bedoeld wordt of drugs spiritueel belang in het algemeen kunnen hebben, of voor de respondent persoonlijk).
Onder de 37 respondenten waren slechts acht vrouwen. Belangrijk is het om te vermelden dat veel onderzoek lijkt uit te wijzen dat er meer mannen dan vrouwen drugs gebruiken [noot 13: Zoals bijvoorbeeld te lezen is in
The Netherlands Drug Situation 2007 van Reitox National Focal Point: “The percentage of females among all the new drug clients has varied over the years between 16% and 19%. Figure 4.5 shows the gender distribution by primary drug in 2006.
The proportion of females was highest among the hallucinogen clients (42%), followed by
the ecstasy clients (29%), and the amphetamine clients (23%). The proportion of females
was the lowest among the cannabis (18%), opiate (17%), and cocaine (16%) clients.
The proportion of females among the first ecstasy treatments rose from 21% in
2001 to 32% in 2006.” (zie http://www.wodc.nl/onderzoeksdatabase/bijdrage-national-report-emcdda-2007.aspx#project-informatie)]. Veel respondenten waren daarnaast hoog opgeleid. Dit kan invloed gehad hebben op de resultaten, omdat ik vermoed dat hoger opgeleiden op een andere manier met drugs omgaan dan lager opgeleiden (hoger opgeleiden zouden bijvoorbeeld minder snel enkel met recreatieve doeleinden kunnen gebruiken). Ik ben uitgegaan van de eigen betekenissen van ‘spiritueel’ en ‘religieus’ van de respondent. Wat de respondenten verstaan onder deze begrippen, is niet duidelijk. De begripsvaliditeit is daardoor wederom niet hoog. Hiermee moet rekening gehouden worden bij het bekijken van de resultaten. Als twee respondenten zeggen een spirituele ervaring gehad te hebben, is het de vraag in hoeverre deze twee personen over hetzelfde concept spreken. Tevens zet ik nu vraagtekens bij het scheiden van de concepten religie en spiritualiteit. Religie is onderdeel van spiritualiteit. Mijns inziens heb ik het mezelf en de respondenten onnodig lastig gemaakt door deze zaken van elkaar te scheiden. Maar mijn onderscheid laat wel zien dat er verschillen zijn tussen de visie op religie en de visie op spiritualiteit, wat een interessante invalshoek kan zijn voor vervolgonderzoek. Ik denk dat ik wellicht beter wel een definitie van spiritualiteit had kunnen geven. Ik heb verder het gevoel dat ik teveel verschillende zaken heb willen onderzoeken, wat ten koste gaat van de diepgang van het onderzoek. Mogelijk vervolgonderzoek kan zich toespitsen op een klein onderdeel van dit onderzoek, bijvoorbeeld op één van de subprobleemstellingen.
Dit onderzoek heeft een lage mate van betrouwbaarheid wanneer gesteld wordt dat betrouwbaarheid afhangt van goede onderzoeksmethoden en goede meetmethoden. Echter, ik vermoed dat het tijdstip van de meting en andere omstandigheden weinig invloed hebben gehad op de resultaten. Of dit werkelijk zo is, zou gecontroleerd moeten worden aan de hand van meerdere metingen. De interne validiteit van het onderzoek is mijns inziens ook laag, omdat er geen duidelijke oorzaak-gevolgrelaties zijn af te leiden uit de resultaten. Een voorbeeld: de correlatie tussen ‘zichzelf spiritueel noemen’ en ‘interesse in spiritualiteit’ is significant (0.653), maar of ‘zichzelf spiritueel noemen’ een oorzaak is van ‘interesse in spiritualiteit’, of of ‘interesse in spiritualiteit’ een oorzaak is van ‘zichzelf spiritueel noemen’ wordt hieruit niet duidelijk. Bovendien kan er sprake zijn van andere, niet gemeten variabelen die van invloed zijn op de resultaten. Over dergelijke verbanden kan slechts gespeculeerd worden. Dit geldt tevens voor de externe validiteit. Onder andere omdat de onderzoeksgroep vrij hoog opgeleid is, denk ik dat de onderzoeksresultaten niet toepasbaar zijn op alle drugsgebruikers die actief zijn op drugsfora, laat staan op alle drugsgebruikers in het algemeen. Vervolgonderzoek kan hier eventueel licht op werpen. De onderzoeksgroep is naar mijn mening niet representatief voor een grotere groep mensen. De generaliseerbaarheid van de resultaten is hierdoor gering.