Wie: Vrouw 36 jaar 64 kg
Wat: Mexicana truffels 15 gram
Waar: In een pittoresk huisje in het bos (ja herfst heerlijk!!)
Set: jaaa wel lekker man! Zin in, laat maar komen! Lichtelijk gespannen wel voor de mogelijke intimiteit met mijn tripmaat waarvan ik op voorhand heb bedacht en aangegeven dat ik dat niet wilde, niet seksueel in elk geval.
Setting: zwaaaaaaaar chill. Way beyond expectation
Report:
Ik zie R de truffels naar binnen schrokken en ik vertel hem dat het beter is om goed te kauwen en langzaam te eten. Ik zit nog op twee derde als zijn zakje al leeg is. Dat was ergens wel grappig, want daardoor was hij me steeds net een stapje voor binnen de trip.
We zitten op de bank en zijn aan het kletsen over van alles en nog wat. R babbelt er lekker op los, zegt interessante dingen en maakt grapjes. De beelden die zijn woorden vormen zijn mooi en grappig. Ik luister goed en lach veel. Onze karakters lijken wel ingrediënten te bezitten die tezamen een appetijtelijke maaltje vormen, en er misschien wel lekkerder in gaan dan psilocybine, hoe leuk ik trippen ook vind. Door al dat gezellige geklets, zijn we helemaal niet bezig met de come up.
Ik luister naar R terwijl de bordeaux rode gordijntjes zachtjes en genoeglijk aan het dansen zijn. Vanachter het raam lonken de bomen naar me. De gesprekken worden vager nu. We hebben inmiddels al onze eerste lachkicks te pakken, al kan ik me nu niet meer herinneren wat er dan zo grappig was, waarschijnlijk gewoon elkaars lach.
“Zullen we naar buiten gaan?” vraag ik
“Ik weet niet of ik kan lopen”, zegt R.
“We kunnen het proberen.”
R staat op en zegt iets over zwabberende benen. Ik sta op en voel letterlijk de truffels een paar centimeter mijn buik in zakken. Huh? Nouja goed, daar gaan we dan, het prachtige herfstbos in! Tijdens de wandeling komt het beeld in me op dat ik in een ander universum sta en dat ik tussen een oneindigheid aan bomen (met kronkels en krullen) wandel. Het voelt aan als grenzeloosheid, zoals computerspelletjes dat soms ook kunnen hebben. Lachen man, dit! Tot ik plotseling een pad zie. Kutzooi, toch een grens.
We lopen een andere kant op en ineens doemt er vanachter een boom een huisje op. Zo plotseling dat ik ervan schrik. Die kant wil ik niet op, denk ik meteen. R zegt iets over The Blair Witch Project en heeft meteen spijt dat hij die woorden hardop heeft uitgesproken, maar het maakt mij alleen maar aan het lachen.
We zetten onze wandeling weer voort, de andere kant op, kennelijk weer terug richting het huisje. Eens in de zoveel tijd dwarrelen blaadjes van de bomen, met velen tegelijk. Dat loslaten en mee laten voeren symboliseert hoe ik me wil voelen. Want ergens voel ik dat er iets niet klopt. Dit gevoel komt het sterkst naar voren wanneer ik ga schommelen. Ik laat me eventjes gaan, en terwijl ik heen en weer zweef, werp ik mijn bovenlijf naar achteren en kijk ik omhoog naar de boomtoppen. Wat een grappig gevoel dit. Ik nodig R uit om dit ook te ervaren, maar ik zie meteen dat het niet werkt voor hem en ik raak het gevoel kwijt. De trampoline dan? Ik spring op en neer. Het voelt gek en grappig. Ik heb zin om me achterover te laten vallen, maar ik durf niet. Ik heb het ook al zo lang niet meer gedaan. Ik vraag R om met me mee te doen. We springen wat op en neer als twee stijve harken en ik schiet in de lach.
“Oh zit je weer in een lachkick?” vraagt hij vreugdeloos, of althans dat is wat ik denk te zien in hem, en hij stapt van de trampoline. In één klap ga ik terug in de tijd, naar een moment van vroeger waarbij we met een aantal meiden lol hadden op de trampoline. Vele jaren later hoorde ik via via dat er één meisje zich buitengesloten had gevoeld en mij intimiderend had gevonden, waar ik me toen enorm over verbaasd had. En nu schrik ik ook van R. Heb ik hem uitgelachen? Nee toch? Ik zit even met mezelf in de knoop. Ben ik arrogant? Ben ik koud? Ik heb even stilte nodig om het door me heen te laten gaan. R en ik nemen afstand van elkaar. Ik pak de boom vast die de schommel draagt. Ik voel ineens zijn energie en vibratie. Ik voel hoe stevig en sterk hij is. Zo geworteld, zo groot, zo oud en wijs. Het geeft me een veilig gevoel. Ik heb ontzag voor de boom. Ik voel dat het me kracht geeft en ook voel ik dat iets me tegen houdt. Ik weet dat er meer kracht in zit, dan ik er op dat moment uit kan halen. Ik ben bang dat R vindt dat ik te veel met de boom bezig ben en te weinig met hem. Waar is hij eigenlijk?
Ik zie hem heel erg ver weg zitten (valt wel mee in het echt). “Oh zit je helemaal daar?” Meteen springt hij op en komt naar me toe. Ik voel me weer op mijn gemak. We lopen samen nog een rondje door het bos. Ik merk dat de visuals verdwijnen naarmate we dieper het bos in gaan. Terug gaan misschien? Ja, laten we maar doen. Terwijl we “ons bos” bij het huisje naderen, komen de visuals terug en ik kan dit helemaal plaatsen. Ik voel me gewoon veiliger bij het huisje.
R gaat liggen op de bank en vraagt of ik erbij kom. “Ik lig al”, zeg ik met mijn ogen dicht. Maar dan kom ik erachter dat ik gewoon zit en we liggen weer in een deuk. Ik ga naast hem liggen en direct begint R mij te strelen. Het voelt fijn. In denk dat we op dat moment de piek van de trip hebben bereikt. Al snel beginnen we met zoenen en vozen en mijn CEV’s zijn op het toppunt van bizarheid! Mega felgekleurde caleidoscopen die steeds van vorm veranderen. Ik laat me helemaal meevoeren hierin. Het is zo surrealistisch. Bijna als een droom. Ik moet af en toe echt even stoppen, want het is zo veel. Ik open mijn ogen en er ligt een topmodel naast me op de bank. Een soort mix van Justin Bieber en Barry Atsma in hun betere jaren. (Niet dat R er niet goed uitziet ofzo lol, maar hij had gewoon ff een dikke filter door mijn trip).
R zegt iets over dat hij hoopt dat mijn vriend mijn vriendelijkheid en warmte kan waarderen (of misschien zei hij iets anders, ik ben het eerlijk gezegd vergeten, maar het was in ieder geval iets moois). Tranen biggelen over mijn wangen. Het doet pijn. En dan plotseling voel ik liefde. Extreem veel liefde. Waar komt het vandaan? Ik ben in de war. We drinken wat thee, we kletsen wat, we bewonderen het houten plafond wat echt bizar veel aan het tintelen, prikkelen, schitteren en veranderen is. De lijnen in het plafond doorkruisen elkaar zo heftig dat ik het niet meer kan volgen. We lopen wat rond, zetten wat thee, gaan naar de wc, doen gewoon normale dingetjes. R loopt langs me heen en op dat moment dringt het haarscherpe inzicht tot me door dat die overweldigende liefde van R afkomstig is! Ik zeg het. Het floept zo uit mijn mond en we kijken elkaar in stilte aan. Wat raar, dit! Wat een besef! Ik voel me ineens geliefd en gewaardeerd, gewoon om wie ik ben, en daar voel ik weer dankbaarheid voor.
Ik ga naar de wc en kijk naar de witte wasbak die glinstert en schittert. Ik kom een beetje tot mezelf daar op de wc. De wc-rollen staan netjes gerangschikt te wachten tot het hun buurt is om gebruikt te worden. Zie je wel, daar is dus orde voor. Orde is wél belangrijk. (Lol, I don’t know man, trippen maakt je vaag).
We drinken thee op de bank. R zegt iets grappigs terwijl ik net bezig ben een slokje van mijn thee te drinken. Ik verslik me zo heftig dat het voelt alsof ik daadwerkelijk lig te verdrinken in mijn kopje thee.
R kijkt naar buiten en bewondert de hoeveelheid koolmeesjes op het terras. Verrukt ren ik erop af en voel enige teleurstelling als ik zie dat de koolmeesjes helemaal niet ‘wild’ zijn, maar gewoon knabbelen aan de pinda’s die door mensen zijn opgehangen. Ik laat die gedachte verdwijnen en besluit te genieten, want de kleuren van hun veren zijn inderdaad bizar mooi. Later, wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik ook steeds koolmeesjes zich vermenigvuldigen zoals in een Caleidoscoop, heerlijk vind ik dat!
Ik voel dat ik honger krijg en R heeft allerlei verrukkelijke maaltijden voorbereid die hij zelf niet kan eten tijdens het trippen. Voor de gezelligheid nemen we het eten mee naar buiten, naar het terras, en ik bunker er op los, terwijl R verhalen vertelt. Droevige verhalen, mooie verhalen, oude verhalen, vergeten verhalen, belangrijke verhalen. Ik stop met eten. “Jij kan goed luisteren, wist je dat al?” Vrijelijk laten we onze tranen vloeien. Ik sta op uit mijn stoel, leg zijn hoofd tegen mijn borst en aai hem door zijn haren.
R vertelt over zijn hond. Over hoe braaf ze is. Hij heeft haar opgehaald uit een land waar geen baasje voor haar was en ze is prachtig. Hij heeft haar niet opgevoed, maar ze luistert altijd. Ze staat altijd naast hem. Ik hou het niet langer. Ik huil hard. Het komt van zo diep. Ik kan ineens niet stoppen met huilen. Ik begrijp niet waarom ik huil om een verhaal dat in essentie lief is.
Ineens verschijnt Mex in mijn gedachte. Mex, een wilde hond die een keertje bij me langs kwam toen ik voor stage in Zuid Afrika woonde. Mex, wat een hond. Ik heb nog nooit een wezen zo snel zien opknappen als Mex, gewoon door hem wat brokjes te geven, elke dag weer, gewoon door er te zijn, al was het maar een half jaar. Mex, de geslagen hond die in brand vloog als ik hem aaide. Niet aaien dus. Maar bouwen dat ie kon! Bouwen vond hij fantastisch! Ik zag mezelf weer staan, in Zuid Afrika, in de achtertuin stenen de lucht in gooien, waarop Mex zo hoog mogelijk sprong om ze eruit te happen. Mijn hele achtertuin lag vol met torens van Mex. Geen mens daar die begreep waarom ik dat deed.
“Zou jij een hond willen?” vraagt R plots en ik beantwoord zijn vraag meteen met een knalharde nee. WTF waar komt dit ineens vandaan? Waarom nee? Het komt regelrecht uit mijn ziel. Ik zie ook een beeld voor me van de enorme hoeveelheid mensen met een hond aan een lijn. Ik schrik van mijn weerzin en ik vraag me wederom af of ik een koud mens ben. Ik durf het niet te vragen aan R.
Ik keer in mezelf. Ik voel dat de trip begint te zakken (wat in werkelijkheid helemaal niet zo was), er komt iets anders naar boven drijven. Ik denk aan het woordje moed. En de hoeveelheid variaties die je ermee kan maken. Deemoed, edelmoed, levensmoed, ontmoet, onee.
Er komt een beeld in me op van een prachtig verhaaltje uit een prentenboek van Toon Tellegen die we vlak voor de trip nog gelezen hebben. Dit kunnen jullie in principe skippen hoor: Het verhaaltje gaat over een kreeft die bij een muisje langskomt om boosheid te verkopen. Hij heeft verschillende soorten boosheid in zijn koffer zitten en haalt ze één voor één tevoorschijn. Erg grappig verhaal. Ik zal jullie er verder niet mee vermoeien. De muis ontdekt onderin de koffer iets lichtblauws. De kreeft zegt dat dat geen boosheid is, maar verdriet, of eigenlijk weemoed en dat dat meer is dan verdriet. Geeft u dat maar, zegt de muis. Hij doet het om zijn hals als een sjaal en zucht diep.
Ik vind weemoed een mooi woord. Net als ootmoed of stoutmoed, waarbij ik onwillekeurig aan mijn vader moet denken. Ik vind hem wel een toonbeeld van oot- en stoutmoedig. Ootmoedig, omdat dat moest vroeger en stoutmoedig, omdat hij dat in feite is. Daar moet ik dan weer bij glimlachen. Overmoedig, zwaarmoedig, zachtmoedig, aanmoedig. Moedig. Ik herken me in alle vormen van moedig!
Nu heb ik het eindelijk, de moed. Ik kom uit mijn bubbel en ik vraag R of hij me arrogant vindt, of koud, of kil, of dat ik te veel liefde ontneem, te veel van hem vraag, hem te weinig geef. R is compleet verbaasd omdat hij vindt dat juist het tegendeel is wat ik toon en dat dat de reden is waarom hij met mij wil zijn. Hij omhult geduldig ál mijn vragen met warme woorden en plotseling kan ik er om lachen. Ik ben helemaal geen Icequeen! Ik ben helemaal niet koud! Ik geef wél! Ik ben alleen maar báng om kil te zijn en om niets te geven. Het is alleen maar een angst, het is er niet echt, het is er helemaal niet!
Ik heb buikpijn en daarvoor heb ik uiteraard gember meegenomen! R krijgt het benauwd van het idee dat ik gember ga snijden. Hij gaat zenuwachtig in de weer om een geschikt mes voor me te vinden, tovert een snijplank uit een kastje en legt alles vlug maar zorgvuldig voor mij klaar. Hij vertrekt en komt weer terug. Het is alsof hij niet wil dat ik de gember ga snijden, maar hij wil het zelf ook niet doen.
Ik lig werkelijk waar he-le-maal in een deuk. In eerste instantie om zijn zorgende en lieve karakter. Waarom legt hij alles voor mij klaar? Ik ben dit zó niet gewend! Maar ik denk ook: gast! Ik ga alleen maar even gember snijden, doe normaal! Samen liggen we echt heel erg hard in een deuk dat dit kennelijk zo moeilijk voor hem is. Ik moet ook vreselijk lachen om mezelf, omdat ik me onzeker begin te voelen of ik het wel ga kunnen. R vindt het dan weer afschuwelijk dat ik zo hard tekeer ga met lachen terwijl ik dat mes nog in mijn handen heb. Om die reden leg ik het mes dan maar even neer en laat ik mijn lach zijn gang gaan en uit mijn lijf ontsnappen. Daarna maak ik lekker twee kopjes gemberthee voor ons. De buikpijn verdwijnt. Eigenlijk is het helemaal niet de gemberthee die dat heeft gedaan. Het was gewoon de gezelligheid.
R nodigt me uit om naar een het bijhuisje te gaan. Daar gingen we op bed zitten kijken naar het bos en de avond die inviel. We liggen te luisteren naar de muziek. Nina Simone klonk door de speaker met haar geruststellende woorden:
“Oh, now don't you know I'm human
I got my faults just like anyone
And sometimes I lie awake, alone, regretting
Some foolish thing, some sinful thing I've done
I'm just a soul whose intentions are good
Oh Lord, please don't let me be misunderstood”
En ineens voel ik me een heel normaal mens.
Wat: Mexicana truffels 15 gram
Waar: In een pittoresk huisje in het bos (ja herfst heerlijk!!)
Set: jaaa wel lekker man! Zin in, laat maar komen! Lichtelijk gespannen wel voor de mogelijke intimiteit met mijn tripmaat waarvan ik op voorhand heb bedacht en aangegeven dat ik dat niet wilde, niet seksueel in elk geval.
Setting: zwaaaaaaaar chill. Way beyond expectation
Report:
Ik zie R de truffels naar binnen schrokken en ik vertel hem dat het beter is om goed te kauwen en langzaam te eten. Ik zit nog op twee derde als zijn zakje al leeg is. Dat was ergens wel grappig, want daardoor was hij me steeds net een stapje voor binnen de trip.
We zitten op de bank en zijn aan het kletsen over van alles en nog wat. R babbelt er lekker op los, zegt interessante dingen en maakt grapjes. De beelden die zijn woorden vormen zijn mooi en grappig. Ik luister goed en lach veel. Onze karakters lijken wel ingrediënten te bezitten die tezamen een appetijtelijke maaltje vormen, en er misschien wel lekkerder in gaan dan psilocybine, hoe leuk ik trippen ook vind. Door al dat gezellige geklets, zijn we helemaal niet bezig met de come up.
Ik luister naar R terwijl de bordeaux rode gordijntjes zachtjes en genoeglijk aan het dansen zijn. Vanachter het raam lonken de bomen naar me. De gesprekken worden vager nu. We hebben inmiddels al onze eerste lachkicks te pakken, al kan ik me nu niet meer herinneren wat er dan zo grappig was, waarschijnlijk gewoon elkaars lach.
“Zullen we naar buiten gaan?” vraag ik
“Ik weet niet of ik kan lopen”, zegt R.
“We kunnen het proberen.”
R staat op en zegt iets over zwabberende benen. Ik sta op en voel letterlijk de truffels een paar centimeter mijn buik in zakken. Huh? Nouja goed, daar gaan we dan, het prachtige herfstbos in! Tijdens de wandeling komt het beeld in me op dat ik in een ander universum sta en dat ik tussen een oneindigheid aan bomen (met kronkels en krullen) wandel. Het voelt aan als grenzeloosheid, zoals computerspelletjes dat soms ook kunnen hebben. Lachen man, dit! Tot ik plotseling een pad zie. Kutzooi, toch een grens.
We lopen een andere kant op en ineens doemt er vanachter een boom een huisje op. Zo plotseling dat ik ervan schrik. Die kant wil ik niet op, denk ik meteen. R zegt iets over The Blair Witch Project en heeft meteen spijt dat hij die woorden hardop heeft uitgesproken, maar het maakt mij alleen maar aan het lachen.
We zetten onze wandeling weer voort, de andere kant op, kennelijk weer terug richting het huisje. Eens in de zoveel tijd dwarrelen blaadjes van de bomen, met velen tegelijk. Dat loslaten en mee laten voeren symboliseert hoe ik me wil voelen. Want ergens voel ik dat er iets niet klopt. Dit gevoel komt het sterkst naar voren wanneer ik ga schommelen. Ik laat me eventjes gaan, en terwijl ik heen en weer zweef, werp ik mijn bovenlijf naar achteren en kijk ik omhoog naar de boomtoppen. Wat een grappig gevoel dit. Ik nodig R uit om dit ook te ervaren, maar ik zie meteen dat het niet werkt voor hem en ik raak het gevoel kwijt. De trampoline dan? Ik spring op en neer. Het voelt gek en grappig. Ik heb zin om me achterover te laten vallen, maar ik durf niet. Ik heb het ook al zo lang niet meer gedaan. Ik vraag R om met me mee te doen. We springen wat op en neer als twee stijve harken en ik schiet in de lach.
“Oh zit je weer in een lachkick?” vraagt hij vreugdeloos, of althans dat is wat ik denk te zien in hem, en hij stapt van de trampoline. In één klap ga ik terug in de tijd, naar een moment van vroeger waarbij we met een aantal meiden lol hadden op de trampoline. Vele jaren later hoorde ik via via dat er één meisje zich buitengesloten had gevoeld en mij intimiderend had gevonden, waar ik me toen enorm over verbaasd had. En nu schrik ik ook van R. Heb ik hem uitgelachen? Nee toch? Ik zit even met mezelf in de knoop. Ben ik arrogant? Ben ik koud? Ik heb even stilte nodig om het door me heen te laten gaan. R en ik nemen afstand van elkaar. Ik pak de boom vast die de schommel draagt. Ik voel ineens zijn energie en vibratie. Ik voel hoe stevig en sterk hij is. Zo geworteld, zo groot, zo oud en wijs. Het geeft me een veilig gevoel. Ik heb ontzag voor de boom. Ik voel dat het me kracht geeft en ook voel ik dat iets me tegen houdt. Ik weet dat er meer kracht in zit, dan ik er op dat moment uit kan halen. Ik ben bang dat R vindt dat ik te veel met de boom bezig ben en te weinig met hem. Waar is hij eigenlijk?
Ik zie hem heel erg ver weg zitten (valt wel mee in het echt). “Oh zit je helemaal daar?” Meteen springt hij op en komt naar me toe. Ik voel me weer op mijn gemak. We lopen samen nog een rondje door het bos. Ik merk dat de visuals verdwijnen naarmate we dieper het bos in gaan. Terug gaan misschien? Ja, laten we maar doen. Terwijl we “ons bos” bij het huisje naderen, komen de visuals terug en ik kan dit helemaal plaatsen. Ik voel me gewoon veiliger bij het huisje.
R gaat liggen op de bank en vraagt of ik erbij kom. “Ik lig al”, zeg ik met mijn ogen dicht. Maar dan kom ik erachter dat ik gewoon zit en we liggen weer in een deuk. Ik ga naast hem liggen en direct begint R mij te strelen. Het voelt fijn. In denk dat we op dat moment de piek van de trip hebben bereikt. Al snel beginnen we met zoenen en vozen en mijn CEV’s zijn op het toppunt van bizarheid! Mega felgekleurde caleidoscopen die steeds van vorm veranderen. Ik laat me helemaal meevoeren hierin. Het is zo surrealistisch. Bijna als een droom. Ik moet af en toe echt even stoppen, want het is zo veel. Ik open mijn ogen en er ligt een topmodel naast me op de bank. Een soort mix van Justin Bieber en Barry Atsma in hun betere jaren. (Niet dat R er niet goed uitziet ofzo lol, maar hij had gewoon ff een dikke filter door mijn trip).
R zegt iets over dat hij hoopt dat mijn vriend mijn vriendelijkheid en warmte kan waarderen (of misschien zei hij iets anders, ik ben het eerlijk gezegd vergeten, maar het was in ieder geval iets moois). Tranen biggelen over mijn wangen. Het doet pijn. En dan plotseling voel ik liefde. Extreem veel liefde. Waar komt het vandaan? Ik ben in de war. We drinken wat thee, we kletsen wat, we bewonderen het houten plafond wat echt bizar veel aan het tintelen, prikkelen, schitteren en veranderen is. De lijnen in het plafond doorkruisen elkaar zo heftig dat ik het niet meer kan volgen. We lopen wat rond, zetten wat thee, gaan naar de wc, doen gewoon normale dingetjes. R loopt langs me heen en op dat moment dringt het haarscherpe inzicht tot me door dat die overweldigende liefde van R afkomstig is! Ik zeg het. Het floept zo uit mijn mond en we kijken elkaar in stilte aan. Wat raar, dit! Wat een besef! Ik voel me ineens geliefd en gewaardeerd, gewoon om wie ik ben, en daar voel ik weer dankbaarheid voor.
Ik ga naar de wc en kijk naar de witte wasbak die glinstert en schittert. Ik kom een beetje tot mezelf daar op de wc. De wc-rollen staan netjes gerangschikt te wachten tot het hun buurt is om gebruikt te worden. Zie je wel, daar is dus orde voor. Orde is wél belangrijk. (Lol, I don’t know man, trippen maakt je vaag).
We drinken thee op de bank. R zegt iets grappigs terwijl ik net bezig ben een slokje van mijn thee te drinken. Ik verslik me zo heftig dat het voelt alsof ik daadwerkelijk lig te verdrinken in mijn kopje thee.
R kijkt naar buiten en bewondert de hoeveelheid koolmeesjes op het terras. Verrukt ren ik erop af en voel enige teleurstelling als ik zie dat de koolmeesjes helemaal niet ‘wild’ zijn, maar gewoon knabbelen aan de pinda’s die door mensen zijn opgehangen. Ik laat die gedachte verdwijnen en besluit te genieten, want de kleuren van hun veren zijn inderdaad bizar mooi. Later, wanneer ik mijn ogen sluit, zie ik ook steeds koolmeesjes zich vermenigvuldigen zoals in een Caleidoscoop, heerlijk vind ik dat!
Ik voel dat ik honger krijg en R heeft allerlei verrukkelijke maaltijden voorbereid die hij zelf niet kan eten tijdens het trippen. Voor de gezelligheid nemen we het eten mee naar buiten, naar het terras, en ik bunker er op los, terwijl R verhalen vertelt. Droevige verhalen, mooie verhalen, oude verhalen, vergeten verhalen, belangrijke verhalen. Ik stop met eten. “Jij kan goed luisteren, wist je dat al?” Vrijelijk laten we onze tranen vloeien. Ik sta op uit mijn stoel, leg zijn hoofd tegen mijn borst en aai hem door zijn haren.
R vertelt over zijn hond. Over hoe braaf ze is. Hij heeft haar opgehaald uit een land waar geen baasje voor haar was en ze is prachtig. Hij heeft haar niet opgevoed, maar ze luistert altijd. Ze staat altijd naast hem. Ik hou het niet langer. Ik huil hard. Het komt van zo diep. Ik kan ineens niet stoppen met huilen. Ik begrijp niet waarom ik huil om een verhaal dat in essentie lief is.
Ineens verschijnt Mex in mijn gedachte. Mex, een wilde hond die een keertje bij me langs kwam toen ik voor stage in Zuid Afrika woonde. Mex, wat een hond. Ik heb nog nooit een wezen zo snel zien opknappen als Mex, gewoon door hem wat brokjes te geven, elke dag weer, gewoon door er te zijn, al was het maar een half jaar. Mex, de geslagen hond die in brand vloog als ik hem aaide. Niet aaien dus. Maar bouwen dat ie kon! Bouwen vond hij fantastisch! Ik zag mezelf weer staan, in Zuid Afrika, in de achtertuin stenen de lucht in gooien, waarop Mex zo hoog mogelijk sprong om ze eruit te happen. Mijn hele achtertuin lag vol met torens van Mex. Geen mens daar die begreep waarom ik dat deed.
“Zou jij een hond willen?” vraagt R plots en ik beantwoord zijn vraag meteen met een knalharde nee. WTF waar komt dit ineens vandaan? Waarom nee? Het komt regelrecht uit mijn ziel. Ik zie ook een beeld voor me van de enorme hoeveelheid mensen met een hond aan een lijn. Ik schrik van mijn weerzin en ik vraag me wederom af of ik een koud mens ben. Ik durf het niet te vragen aan R.
Ik keer in mezelf. Ik voel dat de trip begint te zakken (wat in werkelijkheid helemaal niet zo was), er komt iets anders naar boven drijven. Ik denk aan het woordje moed. En de hoeveelheid variaties die je ermee kan maken. Deemoed, edelmoed, levensmoed, ontmoet, onee.
Er komt een beeld in me op van een prachtig verhaaltje uit een prentenboek van Toon Tellegen die we vlak voor de trip nog gelezen hebben. Dit kunnen jullie in principe skippen hoor: Het verhaaltje gaat over een kreeft die bij een muisje langskomt om boosheid te verkopen. Hij heeft verschillende soorten boosheid in zijn koffer zitten en haalt ze één voor één tevoorschijn. Erg grappig verhaal. Ik zal jullie er verder niet mee vermoeien. De muis ontdekt onderin de koffer iets lichtblauws. De kreeft zegt dat dat geen boosheid is, maar verdriet, of eigenlijk weemoed en dat dat meer is dan verdriet. Geeft u dat maar, zegt de muis. Hij doet het om zijn hals als een sjaal en zucht diep.
Ik vind weemoed een mooi woord. Net als ootmoed of stoutmoed, waarbij ik onwillekeurig aan mijn vader moet denken. Ik vind hem wel een toonbeeld van oot- en stoutmoedig. Ootmoedig, omdat dat moest vroeger en stoutmoedig, omdat hij dat in feite is. Daar moet ik dan weer bij glimlachen. Overmoedig, zwaarmoedig, zachtmoedig, aanmoedig. Moedig. Ik herken me in alle vormen van moedig!
Nu heb ik het eindelijk, de moed. Ik kom uit mijn bubbel en ik vraag R of hij me arrogant vindt, of koud, of kil, of dat ik te veel liefde ontneem, te veel van hem vraag, hem te weinig geef. R is compleet verbaasd omdat hij vindt dat juist het tegendeel is wat ik toon en dat dat de reden is waarom hij met mij wil zijn. Hij omhult geduldig ál mijn vragen met warme woorden en plotseling kan ik er om lachen. Ik ben helemaal geen Icequeen! Ik ben helemaal niet koud! Ik geef wél! Ik ben alleen maar báng om kil te zijn en om niets te geven. Het is alleen maar een angst, het is er niet echt, het is er helemaal niet!
Ik heb buikpijn en daarvoor heb ik uiteraard gember meegenomen! R krijgt het benauwd van het idee dat ik gember ga snijden. Hij gaat zenuwachtig in de weer om een geschikt mes voor me te vinden, tovert een snijplank uit een kastje en legt alles vlug maar zorgvuldig voor mij klaar. Hij vertrekt en komt weer terug. Het is alsof hij niet wil dat ik de gember ga snijden, maar hij wil het zelf ook niet doen.
Ik lig werkelijk waar he-le-maal in een deuk. In eerste instantie om zijn zorgende en lieve karakter. Waarom legt hij alles voor mij klaar? Ik ben dit zó niet gewend! Maar ik denk ook: gast! Ik ga alleen maar even gember snijden, doe normaal! Samen liggen we echt heel erg hard in een deuk dat dit kennelijk zo moeilijk voor hem is. Ik moet ook vreselijk lachen om mezelf, omdat ik me onzeker begin te voelen of ik het wel ga kunnen. R vindt het dan weer afschuwelijk dat ik zo hard tekeer ga met lachen terwijl ik dat mes nog in mijn handen heb. Om die reden leg ik het mes dan maar even neer en laat ik mijn lach zijn gang gaan en uit mijn lijf ontsnappen. Daarna maak ik lekker twee kopjes gemberthee voor ons. De buikpijn verdwijnt. Eigenlijk is het helemaal niet de gemberthee die dat heeft gedaan. Het was gewoon de gezelligheid.
R nodigt me uit om naar een het bijhuisje te gaan. Daar gingen we op bed zitten kijken naar het bos en de avond die inviel. We liggen te luisteren naar de muziek. Nina Simone klonk door de speaker met haar geruststellende woorden:
“Oh, now don't you know I'm human
I got my faults just like anyone
And sometimes I lie awake, alone, regretting
Some foolish thing, some sinful thing I've done
I'm just a soul whose intentions are good
Oh Lord, please don't let me be misunderstood”
En ineens voel ik me een heel normaal mens.