snoepietje
Newbie
Zaterdag met mijn vriend naar Sluis gereden om een portie Mexikaantjes. Mijn vriend zou tripsitten. De vorige (en eerste) keer had ik twee halve porties gegeten, met een paar uren tussen en toen had ik maar flauwtjes getript.
De bedoeling was om nu de hele portie ineens te verorberen en zodoende voldoende hard naar mijn goesting te trippen. In het bijzonder te halucineren.
We reden naar Cadzand en parkeerden op een gezellige parking in het groen. Ik versnipperde de paddo’s in een aardbeienyohurtje en werkte alles flink kauwend naar binnen. Ik had ’s middags een lichte maaltijd (zonder vlees) gegeten en het was 15u toen ik de paddo’s at.
We gingen wandelen aan zee. Er zat een strakke wind, maar het was niet echt koud. Er waren wel wat mensen, maar het was niet druk.
Na een poos begon het wandelen zwaar te worden. Mijn benen werden zwaar en ik had er eigenlijk ook niet zoveel zin meer in. Ik stelde voor om terug te keren.
Ik had het gevoel dat als ik zou stoppen met wandelen dat ik nooit meer verder zou geraken. Ik spoorde mezelf constant mentaal aan om op te schieten.
Nog geen tekenen van hallucinaties of andere interessante/leuke effecten, alleen lichte ergernis van het zijn waar je niet wilt zijn, het niet weten waar je wel wilt zijn en het niet meer uit je woorden geraken. Ik had ideëen maar raakte niet verder dan stamelen. Communiceren werd moeilijk.
Ik liet mijn vriend weten dat het constante geruis van de zee en de wind me irriteerden (paddo’s haalt mijn irritatiedrempel ontzettend naar beneden!) en ik kreeg zijn Ipod. Het effect van de (trip)muziek was amazing. Ik kan moeilijk precies omschrijven wat het was. De muziek klonk mooier, dieper en vooral heel erg naar mij gericht. Elke vocal, elk instrument, elke tune nam me bij de hand op een reis doorheen de soundscape.
Ik werd er wat vrolijker van, maar mijn algemeen gevoel was toch eerder licht geirriteerd, loom en een beetje verloren (mede doordat ik amper iets gezegd kreeg).
We gingen even op een bank zitten. Ik probeerde krampachtig achter mijn vriend uit de wind te zitten. Dat viel tegen, want ik vond de ineengedoken houding dwaas en de bank hard. Met mijn ogen dicht zag ik kleurrijke moiré patronen die swingden op de muziek. Dat was gaaf. Het openen van mijn ogen gaf telkens een cultuurschok
We liepen terug verder. Mijn vriend vroeg “wat zou dat zijn?” Ik antwoorde (ja hoor!) “een kunstwerk, denk ik”. Ik had het ding in het heengaan gezien en me afgevraagd of het enkel kunstwerk of ook functioneel was.
We liepen erheen. Het ding voelde heel lekker. Het was gemaakt uit donkere steen die heerlijk warm aanvoelde en eigenaardig genoeg vond ik er een aangename zithouding op. Mijn vriend nam foto’s en ik trok gezichten. Ik voelde me goed. De muziek bleef me verbazen en meevoeren.
Even later kwamen we in een soort baai terecht (ik herinner me niet precies hoe we daar kwamen). Het was er aangenaam, want de baai lag uit de wind. Ik begon steeds verder weg te zakken van de realiteit. De mensen om me heen begonnen me te storen. Ik had dat de vorige trip ook. Toen wilde ik ook liefst niemand in de buurt.
Het water in de baai was azuurblauw en het mos aan de overkant op de stenen okerkleurig. De twee kleuren pasten perfekt bijeen en het geheel leek op een plaatje van een prentkaart van Kreta ofzo. Een kleine witte hond speelde met het opspattend water. De scène was perfect.
Ik wilde dat graag aan mijn vriend vertellen, maar ik kwam niet verder dan de onnozele zin “dat blauw past goed bij dat geel”
De grote zwarte ronde stenen van de pier waren heerlijk om op te lopen. Ik vond de grond heel mooi en voelde me licht als ik erover liep.
We stapten helemaal tot aan het water en had mijn vriend niet op een meter ervan gestopt, ik was er waarschijnlijk in gestapt.
Ik zette me ff aan de kant van de weg en mijn vriend ging even verder foto’s nemen. Ik zonk weg in de trip van de muziek en de prachtige patronen onder mijn oogleden.
Mijn vriend kwam ff bij me zitten. Dat was fijn. Hij kuste me. Ik denk dat ik moeite had om me op de beweging van mijn tong te concentreren en er dus een potje van maakte. Maar de korte reis aan de lippen van mijn vriend was wonderbaarlijk.
We gingen verder richting parking. Ik weet niet of ik dat zelf vroeg of ermee instemde. Eigenlijk kan ik me van het waarom van een heel stuk van de namiddag niets herinneren.
Ik sloot mijn ogen tijdens het wandelen omdat dat veel fijner was en ik zo de mensen, de gebouwen en de auto’s niet zag. Ook dat herkende ik uit mijn vorige trip : een zware afkeer voor “menselijke beschaving”.
Mijn vriend deed teken dat we een trap af moesten. Ik moest even vol ongeloof lachen. Het leek me een hele toer op met mijn ogen dicht de trap af te gaan. Na twee treden bedacht ik dat ik ook gewoon mijn ogen kon open doen. Het naar beneden gaan beviel me erg en ik liep met grote vaart de trap af. Het leek een beetje op vallen en vliegen tergelijk. Mijn vriend die het niet had zien aankomen haastte zich verwonderd achter mij van de trappen.
De confrontatie met de straat tot aan de parking was zwaar. Wat nuchter een gezellig straatje langs het water had geleken, was nu een onvriendelijk stuk asfalt. Ik liep zoveel mogelijk met mijn ogen dicht.
Ook de parking die daarvoor een gezellig kleine parking temidden van het groen had geleken, vond ik nu lelijk. Teveel asfalt en teveel auto’s (een tiental…) Naast onze auto stond een camper en daar zaten twee honden en twee mensen naast. Ik durfde haast onze auto niet meer naderen.
Mijn vriend stelde voor hem een eind verder te parkeren zodat ik niet bij die mensen in de buurt zou moeten komen, maar alleen achter blijven zonder mijn vriend zag ik ook al niet zitten. Alweer een observatie : paddo’s maken me hulpeloos.
Maar toen begon pas de tocht…
Ik weet niet hoe we precies reden. Ik weet wel dat mijn vriend zonder mijn richtingsaanwijzigen vrij hulpeloos is. Hij heeft geen gevoel voor oriëntatie en kan geen kaart lezen
Ik zat hoofdzakelijk met mijn ogen dicht. Elk bultje dat we over reden gaf mijn lichaam het gevoel op de sirocco te zitten (bellewaerde). Mijn adem verstokte en ik had moeite om niet misselijk te worden. Tegelijk was het ook wel een joy ride. Ik genoot nog steeds van de muziek.
Op een bepaald ogenblik voelde ik de auto een bruuske kwartslag maken en zie ik het akkerland dichterbij komen. Ik roep “hé wat doe je nu?” En dan zie ik dat we stilstaan op een parkingplaatsje aan de overkant van de weg, temidden de polders. Het leek ff of het akkerland de auto zou verzwelgen. Ik kom tot rust. Het is er mooi en ik vind mijn verkeerd inschatten van het parkeermanoeuver grappig.
Mijn vriend neemt de kaart van België ter hand en ik voel dat ik hem moet helpen. De kaart van ons land wordt echter compleet vervormd en begint te golven. De kleuren van de kaart vloeien dooreen. Het gezicht is hilarisch en ik proest het uit. Mijn bulderende lacht slaat over in tranen zonder dat ik de overgang kan verklaren. Ik ween niet lang omdat ik geen verdriet voel. Het was gewoon een golf van lachen en wenen die zich mengde en door me heen raasde.
De wolken versmelten tot constant veranderende patronen, net als de vorige keer.
De vogels zijn fantastisch. Ik voel mee met hun vlucht alsof ik zelf vlieg of op een achtbaan zit.
We rijden weer verder.
Ik weet niet waarheen of waarom.
Telkens de baan zo keert dat de zon niet meer op mij schijnt krijg ik het koud. Een koude die doet denken aan de apocalyps. Ik denk “het is hier al naar de kloten”.
Ik krijg door dat als de trip te beangstigend of zwartgallig wordt dat ik die kan stoppen door de muziek uit mijn oren te trekken. Al kost het me toch bijzonder veel moeite om die handeling te doen.
Mijn lichaam voelt, als ik mijn ogen sluit, zwaar buiten proportie. Mijn schouders die tegen de zetel leunen, voelen meters verder dan mijn benen waarop mijn handen rusten. En op hun beurt voelen mijn benen meters uiteen en helemaal niet parrallel, terwijl ze gewoon netjes gesloten voor me uit staan. Het voelt zo raar dat ik even mijn romp check om vast te stellen dat alles nog netjes normaal aaneen hangt.
In een dorpje (zo’n gezellig polderdorpje dat ik anders idylisch zou vinden, maar me nu afstoot) zijn drie mannen kartonnen dozen op een traktor (?) aan ’t laden. We kunnen er niet voorbij. Ik lees een opschrift op een doos en die is hilarisch (ik kan ze me niet herinneren). Ik probeer mijn lach te bedwingen omdat ik voel dat ik weer ga razen en niet wil dat die mannen dat zien. Mijn plezier slaat om in ergernis omdat ze niet uit de weg gaan en wij dus blijven stil staan op een plaats waar ik niet wil zijn.
Later verzeilen we in Knokke. Dat is hels. De mensen hebben een ongezonde kleur en een onvriendelijk gezicht. Er zijn overal huizen en auto’s en het verkeer schiet heel traag op. Ik probeer met mijn ogen dicht op te gaan in de muziek. Ik weet niet of het aan de muziek of aan de omgeving ligt maar ik moet regelmatig naar het volgende nummer forwarden omdat ik de weg die de muziek me op neemt niet meer leuk vind.
De kabeltjes aan de Ipod raken helemaal in de war en ik krijg ze niet uiteen. Ik snap niet hoe ik dat moet doen en bovendien lijkt het alsof mijn vingers ook helemaal in de knoop zullen raken. Wat een ellende
Uiteindelijk komen we tegen 18u op een prachtige plek op de polders, bij een weiland vol mooie paarden met veulens. De wolken doen nog steeds het effect van aquarelvegen als ik ernaar staar. Maar verder ben ik alweer nuchter aan ’t worden. Ik stap met tegenzin (ik heb het buiten koud) maar stevig op mijn benen uit en kan terug communiceren.
Mijn vriend merkt ook dat ik over de piek van de trip heen ben.
Ik heb het gevoel dat ik een moeilijke en tegelijk interessante reis heb gemaakt.
Maar ik heb (alweer!) amper gehalucineerd… terwijl dat eigenlijk wel mijn verwachting/wens was.
Nu weet ik helemaal niet wat ik moet doen.
Nooit meer paddo’s?
Meer Mexikaantjes (1.5 à 2 porties)?
Ander paddo’s (Hawaiaanse?)?
En qua setting??? Ik zou wel ergens een plaats moeten vinden waar ik de vogels zie en geen mensen of huizen of hoogspanningskabels en waar het lekker warm en knus is
Man man man wat een luxeprobleem
De bedoeling was om nu de hele portie ineens te verorberen en zodoende voldoende hard naar mijn goesting te trippen. In het bijzonder te halucineren.
We reden naar Cadzand en parkeerden op een gezellige parking in het groen. Ik versnipperde de paddo’s in een aardbeienyohurtje en werkte alles flink kauwend naar binnen. Ik had ’s middags een lichte maaltijd (zonder vlees) gegeten en het was 15u toen ik de paddo’s at.
We gingen wandelen aan zee. Er zat een strakke wind, maar het was niet echt koud. Er waren wel wat mensen, maar het was niet druk.
Na een poos begon het wandelen zwaar te worden. Mijn benen werden zwaar en ik had er eigenlijk ook niet zoveel zin meer in. Ik stelde voor om terug te keren.
Ik had het gevoel dat als ik zou stoppen met wandelen dat ik nooit meer verder zou geraken. Ik spoorde mezelf constant mentaal aan om op te schieten.
Nog geen tekenen van hallucinaties of andere interessante/leuke effecten, alleen lichte ergernis van het zijn waar je niet wilt zijn, het niet weten waar je wel wilt zijn en het niet meer uit je woorden geraken. Ik had ideëen maar raakte niet verder dan stamelen. Communiceren werd moeilijk.
Ik liet mijn vriend weten dat het constante geruis van de zee en de wind me irriteerden (paddo’s haalt mijn irritatiedrempel ontzettend naar beneden!) en ik kreeg zijn Ipod. Het effect van de (trip)muziek was amazing. Ik kan moeilijk precies omschrijven wat het was. De muziek klonk mooier, dieper en vooral heel erg naar mij gericht. Elke vocal, elk instrument, elke tune nam me bij de hand op een reis doorheen de soundscape.
Ik werd er wat vrolijker van, maar mijn algemeen gevoel was toch eerder licht geirriteerd, loom en een beetje verloren (mede doordat ik amper iets gezegd kreeg).
We gingen even op een bank zitten. Ik probeerde krampachtig achter mijn vriend uit de wind te zitten. Dat viel tegen, want ik vond de ineengedoken houding dwaas en de bank hard. Met mijn ogen dicht zag ik kleurrijke moiré patronen die swingden op de muziek. Dat was gaaf. Het openen van mijn ogen gaf telkens een cultuurschok
We liepen terug verder. Mijn vriend vroeg “wat zou dat zijn?” Ik antwoorde (ja hoor!) “een kunstwerk, denk ik”. Ik had het ding in het heengaan gezien en me afgevraagd of het enkel kunstwerk of ook functioneel was.
We liepen erheen. Het ding voelde heel lekker. Het was gemaakt uit donkere steen die heerlijk warm aanvoelde en eigenaardig genoeg vond ik er een aangename zithouding op. Mijn vriend nam foto’s en ik trok gezichten. Ik voelde me goed. De muziek bleef me verbazen en meevoeren.
Even later kwamen we in een soort baai terecht (ik herinner me niet precies hoe we daar kwamen). Het was er aangenaam, want de baai lag uit de wind. Ik begon steeds verder weg te zakken van de realiteit. De mensen om me heen begonnen me te storen. Ik had dat de vorige trip ook. Toen wilde ik ook liefst niemand in de buurt.
Het water in de baai was azuurblauw en het mos aan de overkant op de stenen okerkleurig. De twee kleuren pasten perfekt bijeen en het geheel leek op een plaatje van een prentkaart van Kreta ofzo. Een kleine witte hond speelde met het opspattend water. De scène was perfect.
Ik wilde dat graag aan mijn vriend vertellen, maar ik kwam niet verder dan de onnozele zin “dat blauw past goed bij dat geel”
De grote zwarte ronde stenen van de pier waren heerlijk om op te lopen. Ik vond de grond heel mooi en voelde me licht als ik erover liep.
We stapten helemaal tot aan het water en had mijn vriend niet op een meter ervan gestopt, ik was er waarschijnlijk in gestapt.
Ik zette me ff aan de kant van de weg en mijn vriend ging even verder foto’s nemen. Ik zonk weg in de trip van de muziek en de prachtige patronen onder mijn oogleden.
Mijn vriend kwam ff bij me zitten. Dat was fijn. Hij kuste me. Ik denk dat ik moeite had om me op de beweging van mijn tong te concentreren en er dus een potje van maakte. Maar de korte reis aan de lippen van mijn vriend was wonderbaarlijk.
We gingen verder richting parking. Ik weet niet of ik dat zelf vroeg of ermee instemde. Eigenlijk kan ik me van het waarom van een heel stuk van de namiddag niets herinneren.
Ik sloot mijn ogen tijdens het wandelen omdat dat veel fijner was en ik zo de mensen, de gebouwen en de auto’s niet zag. Ook dat herkende ik uit mijn vorige trip : een zware afkeer voor “menselijke beschaving”.
Mijn vriend deed teken dat we een trap af moesten. Ik moest even vol ongeloof lachen. Het leek me een hele toer op met mijn ogen dicht de trap af te gaan. Na twee treden bedacht ik dat ik ook gewoon mijn ogen kon open doen. Het naar beneden gaan beviel me erg en ik liep met grote vaart de trap af. Het leek een beetje op vallen en vliegen tergelijk. Mijn vriend die het niet had zien aankomen haastte zich verwonderd achter mij van de trappen.
De confrontatie met de straat tot aan de parking was zwaar. Wat nuchter een gezellig straatje langs het water had geleken, was nu een onvriendelijk stuk asfalt. Ik liep zoveel mogelijk met mijn ogen dicht.
Ook de parking die daarvoor een gezellig kleine parking temidden van het groen had geleken, vond ik nu lelijk. Teveel asfalt en teveel auto’s (een tiental…) Naast onze auto stond een camper en daar zaten twee honden en twee mensen naast. Ik durfde haast onze auto niet meer naderen.
Mijn vriend stelde voor hem een eind verder te parkeren zodat ik niet bij die mensen in de buurt zou moeten komen, maar alleen achter blijven zonder mijn vriend zag ik ook al niet zitten. Alweer een observatie : paddo’s maken me hulpeloos.
Maar toen begon pas de tocht…
Ik weet niet hoe we precies reden. Ik weet wel dat mijn vriend zonder mijn richtingsaanwijzigen vrij hulpeloos is. Hij heeft geen gevoel voor oriëntatie en kan geen kaart lezen
Ik zat hoofdzakelijk met mijn ogen dicht. Elk bultje dat we over reden gaf mijn lichaam het gevoel op de sirocco te zitten (bellewaerde). Mijn adem verstokte en ik had moeite om niet misselijk te worden. Tegelijk was het ook wel een joy ride. Ik genoot nog steeds van de muziek.
Op een bepaald ogenblik voelde ik de auto een bruuske kwartslag maken en zie ik het akkerland dichterbij komen. Ik roep “hé wat doe je nu?” En dan zie ik dat we stilstaan op een parkingplaatsje aan de overkant van de weg, temidden de polders. Het leek ff of het akkerland de auto zou verzwelgen. Ik kom tot rust. Het is er mooi en ik vind mijn verkeerd inschatten van het parkeermanoeuver grappig.
Mijn vriend neemt de kaart van België ter hand en ik voel dat ik hem moet helpen. De kaart van ons land wordt echter compleet vervormd en begint te golven. De kleuren van de kaart vloeien dooreen. Het gezicht is hilarisch en ik proest het uit. Mijn bulderende lacht slaat over in tranen zonder dat ik de overgang kan verklaren. Ik ween niet lang omdat ik geen verdriet voel. Het was gewoon een golf van lachen en wenen die zich mengde en door me heen raasde.
De wolken versmelten tot constant veranderende patronen, net als de vorige keer.
De vogels zijn fantastisch. Ik voel mee met hun vlucht alsof ik zelf vlieg of op een achtbaan zit.
We rijden weer verder.
Ik weet niet waarheen of waarom.
Telkens de baan zo keert dat de zon niet meer op mij schijnt krijg ik het koud. Een koude die doet denken aan de apocalyps. Ik denk “het is hier al naar de kloten”.
Ik krijg door dat als de trip te beangstigend of zwartgallig wordt dat ik die kan stoppen door de muziek uit mijn oren te trekken. Al kost het me toch bijzonder veel moeite om die handeling te doen.
Mijn lichaam voelt, als ik mijn ogen sluit, zwaar buiten proportie. Mijn schouders die tegen de zetel leunen, voelen meters verder dan mijn benen waarop mijn handen rusten. En op hun beurt voelen mijn benen meters uiteen en helemaal niet parrallel, terwijl ze gewoon netjes gesloten voor me uit staan. Het voelt zo raar dat ik even mijn romp check om vast te stellen dat alles nog netjes normaal aaneen hangt.
In een dorpje (zo’n gezellig polderdorpje dat ik anders idylisch zou vinden, maar me nu afstoot) zijn drie mannen kartonnen dozen op een traktor (?) aan ’t laden. We kunnen er niet voorbij. Ik lees een opschrift op een doos en die is hilarisch (ik kan ze me niet herinneren). Ik probeer mijn lach te bedwingen omdat ik voel dat ik weer ga razen en niet wil dat die mannen dat zien. Mijn plezier slaat om in ergernis omdat ze niet uit de weg gaan en wij dus blijven stil staan op een plaats waar ik niet wil zijn.
Later verzeilen we in Knokke. Dat is hels. De mensen hebben een ongezonde kleur en een onvriendelijk gezicht. Er zijn overal huizen en auto’s en het verkeer schiet heel traag op. Ik probeer met mijn ogen dicht op te gaan in de muziek. Ik weet niet of het aan de muziek of aan de omgeving ligt maar ik moet regelmatig naar het volgende nummer forwarden omdat ik de weg die de muziek me op neemt niet meer leuk vind.
De kabeltjes aan de Ipod raken helemaal in de war en ik krijg ze niet uiteen. Ik snap niet hoe ik dat moet doen en bovendien lijkt het alsof mijn vingers ook helemaal in de knoop zullen raken. Wat een ellende
Uiteindelijk komen we tegen 18u op een prachtige plek op de polders, bij een weiland vol mooie paarden met veulens. De wolken doen nog steeds het effect van aquarelvegen als ik ernaar staar. Maar verder ben ik alweer nuchter aan ’t worden. Ik stap met tegenzin (ik heb het buiten koud) maar stevig op mijn benen uit en kan terug communiceren.
Mijn vriend merkt ook dat ik over de piek van de trip heen ben.
Ik heb het gevoel dat ik een moeilijke en tegelijk interessante reis heb gemaakt.
Maar ik heb (alweer!) amper gehalucineerd… terwijl dat eigenlijk wel mijn verwachting/wens was.
Nu weet ik helemaal niet wat ik moet doen.
Nooit meer paddo’s?
Meer Mexikaantjes (1.5 à 2 porties)?
Ander paddo’s (Hawaiaanse?)?
En qua setting??? Ik zou wel ergens een plaats moeten vinden waar ik de vogels zie en geen mensen of huizen of hoogspanningskabels en waar het lekker warm en knus is
Man man man wat een luxeprobleem


