articaïne/epinefrine N01BB58 Lokale anaesthetica
Septanest
Ultracain D-S
Ultracain D-S [Aventis Pharma BV]
Injectievloeistof; cilinderampul 1,7 ml. De injectievloeistof bevat per ml: articaïne (hydrochloride) 40 mg, epinefrine (als hydrochloride) 5 microg (1:200.000). Conserveermiddel: natriummetabisulfiet, max. 0,5 mg/ml (komt overeen met max. 0,34 mg/ml sulfiet).
Injectievloeistof 'Forte'; cilinderampul 1,7 ml. De injectievloeistof bevat per ml: articaïne(hydrochloride) 40 mg, epinefrine (als hydrochloride) 10 microg (1:100.000). Conserveermiddel: natriummetabisulfiet, max. 0,5 mg/ml (komt overeen met max. 0,34 mg/ml sulfiet).
Septanest [Pharmodontal BV]
Injectievloeistof 'N'; patroon 1,8 ml. De injectievloeistof bevat per ml: articaïne(hydrochloride) 40 mg, epinefrine (als tartraat) 5 microg. Conserveermiddel: natriummetabisulfiet.
Injectievloeistof 'SP'; patroon 1,8 ml. De injectievloeistof bevat per ml: articaïne(hydrochloride) 40 mg, epinefrine (als tartraat) 10 microg. Conserveermiddel: natriummetabisulfiet.
____________________________________________________________
CFH-Advies
De kosten van articaïne/epinefrine-injecties zijn in het honorarium van de tandarts verdisconteerd.
Eigenschappen
Lokaal anaestheticum van het amidetype. Werking: na enkele min. Werkingsduur: D-S minimaal 45 min., D-S Forte minimaal 75 min., Septanest 'N' 15–30 min., Septanest 'SP' 30–45 min.
Kinetische gegevens
Tmax = 17 min. Plasma-eiwitbinding: 95%. Metabolisering: in de lever, volledig. Eliminatie: vnl. met de urine. T1/2el = 25 min.
Indicaties
Intra-orale infiltratie- en geleidingsanesthesie in de tandheelkunde.
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor lokaal anaesthetica van het amidetype. In verband met epinefrine: paroxismale tachycardie, hoog frequente aritmie. Overgevoeligheid voor sulfiet, vooral bij astma. Ontsteking in injectiegebied. Cholinesterase deficiëntie. Forte en 'SP': ongecontroleerde cardiovasculaire aandoeningen, hypertensie, diabetes mellitus en hyperthyroïdie.
Zwangerschap/Lactatie
Dit geneesmiddel kan, voor zover bekend zonder gevaar voor de vrucht, overeenkomstig het voorschrift worden gebruikt tijdens zwangerschap en lactatie. Evenals andere lokale anaesthetica passeert articaïne de placenta; bij overdosering kan als gevolg van de epinefrine foetale depressie niet worden uitgesloten.
Het wordt in geringe mate in de moedermelk uitgescheiden.
Bijwerkingen
Bloeddrukdaling, tachycardie of zelfs bradycardie, hartfalen, shock. Oorsuizen, duizeligheid tot verlies van bewustzijn, ademhalingsstoornissen tot ademhalingsstilstand, spierspasmen die kunnen overgaan in tetanische contracties, misselijkheid en braken. Zelden gezichtsvermindering (tijdelijke blindheid, wazig zien, lichtflitsen, dubbelzien). Anafylactische reacties, roodheid, jeuk, oedeem met gevaar voor glottisoedeem met ademhalingproblemen, angio-oedeem van het gelaat, rinitis, conjunctivitis, zwelling of ontsteking op injectieplaats. Hoofdpijn, tachycardie, hartritmestoornissen en bloeddrukstijging (epinefrine). Sulfiet kan, vooral bij astma, leiden tot overgevoeligheidsreacties zoals nausea, diarree, bronchospasmen, astma, bewustzijnsstoornissen of shock.
Interacties
Het bloeddrukverhogend effect van sympathicomimetica (zoals epinefrine) kan worden versterkt door tricyclische antidepressiva of MAO-remmers, digoxine, β-blokkers en anaesthetica zoals halothaan. Toediening van lokaal anaesthetica met vasoconstrictoren leidt tot langere werkingsduur met lagere bloedspiegels van het anaestheticum. Toediening van heparine, prostaglandinesynthetaseremmers en plasmavervangers (m.n. dextranen) kan neiging tot bloeden na injectie van een lokaal anaestheticum vergroten. Onder antistolling is controle van stollingsstatus noodzakelijk, met name bij epidurale of subarachnoïdale anesthesie vanwege het risico van aanprikken van een vat. Controle van de stollingsstatus kan nodig zijn na meervoudige medicatie met NSAID’s.
Waarschuwingen en voorzorgen
Articaïne mag niet i.v. worden toegediend. Overdosering of i.v. injectie kunnen toxische verschijnselen veroorzaken. Deze kunnen het best worden voorkomen door: a. altijd de laagst mogelijke concentratie te gebruiken; b. te aspireren alvorens te injecteren, zodat niet per ongeluk een i.v. injectie kan worden gegeven. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige leverfunctiestoornissen. Dit middel kan door pupilverwijding de oogdruk verhogen en een aanval van acuut glaucoom veroorzaken. Gebruik bij kinderen wordt afgeraden vanwege onvoldoende gegevens.
Overdosering
Indien toxische reacties zoals duizeligheid, motorische onrust en sufheid optreden als gevolg van overdosering, verkeerde injectietechniek of eventuele idiosyncrasieën, past men dezelfde behandeling toe als bij andere lokale anaesthetica: direct stoppen van de injectie, zuurstof, kunstmatige ademhaling en het hoofd omlaag.
Therapie: Ter bestrijding van convulsies wordt diazepam langzaam toegediend. Hypotensie behandelen met vocht + dopamine, asystolie met epinefrine en eventueel een pacemaker.
Dosering
Afhankelijk van de tandheelkundige ingreep.
Ingrepen aan de onder- en bovenkaak: in het algemeen 0,5–1,8 ml per element. Bij onvoldoende verdoving een tweede injectie van 1–1,8 ml.
Ingrepen aan de onderkaak: eventueel een geleidingsanesthesie van 1,7–1,8 ml.
Bloedige ingrepen aan tandvlees, palatum: e.d. maken in het algemeen een klein extra depot van 0,1 ml per injectie noodzakelijk (in palatum of omslagplooi).
Voor het inspuiten de oplossing op lichaamstemperatuur brengen, daar het injecteren van de koude oplossing pijnlijk is. De Forte injectie en de 'SP' zijn in de eerste plaats geïndiceerd bij bloedige of langdurige ingrepen. De cilinderampullen bij voorkeur gebruiken in de daarvoor bestemde injectiespuit (Uniject-K of Ultraject).
____________________________________________________________
epinefrine C01CA24 Antihypotensiva
Anapen
Epinefrine Injecties
EpiPen
Anapen [Lincoln Medical Ltd]Zelfzorgmiddel
(als chloride)
Injectievloeistof 1 mg/ml; auto-injector 0,3 ml.
Injectievloeistof 0,5 mg/ml; auto-injector 0,3 ml ('Junior'). De injectievloeistof bevat natriummetabisulfiet.
Epinefrine Injecties [Diverse fabrikanten]
(als waterstoftartraat)
Injectievloeistof 1 mg/ml; ampul 1 ml. Bevat natriummetabisulfiet.
(als chloride)
Injectievloeistof 0,1 mg/ml; 10 ml ('Minijet'). Bevat natriumbisulfiet.
EpiPen [ALK-Abelló BV]
(als chloride)
Injectievloeistof 1 mg/ml; auto-injector 0,3 ml.
Injectievloeistof 0,5 mg/ml; auto-injector 0,3 ml ('Junior'). De injectievloeistof bevat natriummetabisulfiet.
afstandhouder
_____________________________________________________________
CFH-Advies
Bij hartstilstand en anafylactische shock is snelle toediening van epinefrine de eerste keus.
Bij personen met een anamnestisch aantoonbaar risico van anafylactische shock is het belangrijk dat eenvoudig, op een veilige wijze en zo snel mogelijk epinefrine kan worden toegediend. De speciale toedieningsvorm van de auto-injector is hiervoor geschikt en heeft de voorkeur.
Bij de behandeling van bronchospasmen met een sympathicomimeticum geeft de Commissie de voorkeur aan een β2-specifiek middel. Indien dit onvoldoende effect sorteert, kan epinefrine worden overwogen.
Eigenschappen
Sympathicomimeticum met stimulerend effect op de α- en β-receptoren van het sympathische zenuwstelsel. Het heeft een geringe, centraal stimulerende werking. Epinefrine doet de bloeddruk stijgen en vergroot de prikkelbaarheid van het hart. Door beïnvloeding van de α-receptoren treedt vernauwing op van de meeste vaten, met name die van de huid en het splanchnicusgebied. Stimulatie van de β2-receptoren heeft een bronchospasmolytisch effect en verhoogt het bloedglucosegehalte. De auto-injector is een voorgevulde wegwerpspuit met een automatisch injectiemechanisme voor eenmalig gebruik door de patiënt zelf. Werking: s.c./i.m. binnen 3–5 min. Werkingsduur: kort.
Kinetische gegevens
Resorptie: s.c./i.m. verlengd door lokale vasoconstrictie. Eliminatie: Voornamelijk met de urine als metabolieten. T1/2el = i.v. ca. 2½ min.
Indicaties
Hartstilstand. Anafylaxie, waaronder anafylactische shock. Bronchospasmen, in het bijzonder astma.
Contra-indicaties
Cardiale dilatatie, coronaire insufficiëntie, tenzij in verband met hartstilstand. Hemorragische, traumatische of cardiogene shock. Shock gedurende algemene anesthesie met gehalogeneerde koolwaterstoffen of cyclopropaan, organische hersenbeschadiging, fibrillatie. Overgevoeligheid voor sulfiet. Injectie van organen met eindarteriën, zoals vingers, neus enz.
Zwangerschap/Lactatie
Dit geneesmiddel kan, voor zover bekend zonder gevaar voor de vrucht, overeenkomstig het voorschrift worden gebruikt tijdens zwangerschap. Uit waarnemingen bij de mens zijn aanwijzingen verkregen dat de stof schadelijk is tijdens de baring. Het kan de progressie van de partus vertragen.
Epinefrine wordt oraal niet opgenomen; eventueel in de moedermelk uitgescheiden epinefrine heeft daarom naar verwachting geen effect op de zuigeling.
Bijwerkingen
Hartkloppingen, ritmestoornissen (in het bijzonder in hoge dosering en bij ischemisch hartlijden), bloeddrukstijging, angina pectoris, hyperglykemie en moeilijkheden met urineren door urineretentie. Door centrale stimulering kunnen optreden: angst, rusteloosheid, hoofdpijn, tremoren en bleekheid; soms hallucinaties. Op de injectieplaats kan necrose van de huid en subcutis ontstaan, vooral bij herhaling van injecties op dezelfde plaats. Incidenteel subarachnoïdale bloeding en hemiplegie. Kan een aanval van acuut glaucoom veroorzaken.
Interacties
De effecten van epinefrine kunnen worden versterkt door tricyclische antidepressiva en noradrenerge/serotonerge antidepressiva zoals venlafaxine en sibutramine en door MAO-remmers (hypertensieve reactie met mogelijk hartaritmieën), COMT-remmers, levodopa, oxytocine, theofylline en geneesmiddelen met een duidelijke parasympathicolytische of sympathicomimetische component. Sympathicolytica antagoneren de werking van epinefrine. Bij gelijktijdig gebruik van β-blokkers kan via het overgebleven α-effect hypertensie en bradycardie optreden. Bij gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen die het hart sensibiliseren voor ritmestoornissen zoals digoxine, kinidine, halothaan en verwante anaesthetica kunnen hartaritmieën ontstaan.
Waarschuwingen en voorzorgen
Voorzichtigheid is geboden bij hypertensie, neiging tot aritmie, hyperthyroïdie, diabetes mellitus, ischemische hartziekten, cerebrale of perifere arteriosclerose, feochromocytoom, bronchiaal astma, oculaire hypertensie of glaucoom, prostaathyperplasie, ernstige nierfunctiestoornissen, hypercalciëmie, hypokaliëmie. Sulfiet kan bij daarvoor gevoelige personen (m.n. asthmatici) bronchospasmen en/of anafylactische shock veroorzaken. Voor de auto-injector moet de patiënt worden geïnstrueerd over de periodieke controle van de inhoud. Na gebruik van de auto-injector blijft een hoeveelheid vloeistof in de injector achter, die niet opnieuw kan worden gebruikt.
Overdosering
Symptomen: plotselinge stijging van de bloeddruk met eventueel een hersenbloeding; acuut longoedeem door hartstimulatie en perifere vasoconstrictie. Voorbijgaande bradycardie, overgaand in tachycardie met soms uiteindelijk fatale hartritmestoornissen.
Therapie: voor de verlaging van de bloeddruk snelwerkende vasodilatatoren of α-receptorblokkerende geneesmiddelen; bij langdurige hypotensie een bloeddrukverhogend geneesmiddel zoals norepinefrine. Acuut longoedeem behandelen met het snelwerkende α-receptorblokkerende geneesmiddel fentolamine en/of met intermitterende respiratie met positieve druk. Bij hartritmestoornissen een β-receptorblokkerend geneesmiddel na of in combinatie met een α-receptorblokkerend geneesmiddel.
Dosering
Bij hartstilstand: Volwassenen: 0,1–1 mg i.v. of intracardiaal, zo nodig elke 5 min. herhalen. Kinderen: 0,005–0,01 mg/kg lichaamsgewicht i.v. of intracardiaal.
Bij anafylaxie: Volwassenen: 0,2–0,5 mg i.m. of s.c., zo nodig elke 10–15 min. herhalen; max. 1 mg per dosis. Met de auto-injector 0,3 mg anterolateraal in het bovenbeen als eerste redmiddel bij een levensbedreigende anafylactische reactie, eventueel na 10–15 minuten een tweede injectie Kinderen: 0,01 mg/kg s.c., zo nodig tweemaal elke 15 min. herhalen, daarna elke 4 uur; max. 0,5 mg per dosis. Met de auto-injector 'Junior' bij kinderen van 15–30 kg 0,15 mg i.m. anterolateraal in het bovenbeen als eerste redmiddel; eventueel na 10–15 min. herhalen indien de symptomen nog niet zijn afgenomen. De auto-injector is onvoldoende nauwkeurig voor gebruik van lagere doseringen (kinderen < 15 kg).
Bij anafylactische shock: Volwassenen: 0,5 mg s.c. of i.m. gevolgd door 0,025–0,05 mg i.v., zo nodig elke 5–15 min. herhalen; in kritieke situaties: 0,1–0,25 mg i.v., niet sneller dan 0,02 mg per min. (opl. 0,1 mg/ml), zo nodig elke 5–10 min. herhalen. Kinderen: 0,3 mg i.m. of i.v., zo nodig elke 15 min. drie- à viermaal herhalen.
Bij bronchospasmen: Volwassenen: 0,2–0,5 mg s.c., zo nodig tweemaal elke 20 min. en vervolgens elke 4 uur herhalen; max. 1 mg per keer. Kinderen: 0,01 mg/kg s.c., zo nodig tweemaal elke 15 min. en vervolgens elke 4 uur herhalen; max. 0,5 mg per dosis.
_____________________________________________________________
lidocaïne/epinefrine N01BB52 Lokale anaesthetica
Lignospan
Xylocaine/Epinefrine Injecties
Lignospan [Pharmodontal BV]
(hydrochloride)
Injectievloeistof; spuitampul 1,8 ml. Bevat lidocaïne 20 mg/ml, epinefrine 1:80.000. Bevat tevens sulfiet, maar geen conserveermiddel.
afstandhouder
Xylocaine/Epinefrine Injecties [Astrazeneca]
(hydrochloride)
Injectievloeistof; flacon 20 ml. Bevat lidocaïne 10 mg/ml, epinefrine 1:100.000. Conserveermiddelen: methylparabeen 1 mg/ml en metabisulfiet.
Injectievloeistof; flacon 20 ml. Bevat lidocaïne 20 mg/ml, epinefrine 1:80.000. Conserveermiddelen: methylparabeen 1 mg/ml en metabisulfiet.
_____________________________________________________________
CFH-Advies
Gezien het indicatiegebied zal de toepassing van lidocaïne-injecties in hoofdzaak beperkt blijven tot de kliniek. Voor zover buiten de kliniek gebruikt, behoort het tot de zgn. spreekkamerutensiliën die reeds in het honorarium van de arts c.q. tandarts zijn inbegrepen.
Eigenschappen
Lokaal anaestheticum van het amidetype. Epinefrine verlengt de werking door het bewerkstelligen van lokale vasoconstrictie en is aangewezen voor behandelingen die gedurende langere tijd een bloedeloos operatieterrein vereisen. Werking: bij infiltratieanesthesie in 2 min. en bij geleidingsanesthesie na 2–4 min. Werkingsduur: 1–2 uur, bij infiltratie- en geleidingsanesthesie ca. 45 min.
Kinetische gegevens
Metabolisering: grotendeels in de lever, deels via CYP3A4 tot matig actieve metabolieten mono-ethylglycinexylidide (MEGX) en glycinexylidide (GX) (lidocaïne). Eliminatie: met de urine, minder dan 10% onveranderd. Vd = 1,3 l/kg. T1/2el = 90–120 min. (lidocaïne); 2 uur (MEGX); 10 uur (GX).
Indicaties
Infiltratie- en geleidingsanesthesie. Epidurale anesthesie en sympathische zenuwblokkade. Lignospan: geleiding- of infiltratieanesthesie bij tandheelkundige ingrepen.
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor lokaal anaesthetica van het amidetype, voor het betreffende conserveermiddel of voor sulfiet. Deze injectievloeistoffen niet gebruiken bij anesthesie van organen met eindarteriën, zoals vingers, tenen, neus, penis of oren en bij hypertensie, cardiovasculaire aandoeningen, diabetes mellitus en hyperthyroïdie in verband met de aanwezigheid van epinefrine.
Zwangerschap/Lactatie
Dit geneesmiddel kan als lokaal anaestheticum, voor zover bekend zonder gevaar voor de vrucht, overeenkomstig het voorschrift worden gebruikt tijdens zwangerschap. Tijdens zwangerschap kan een paracervicaal blok, foetale bradycardie met acidose en hypoxie veroorzaken. Bij toepassing tijdens de partus dient men ermee rekening te houden dat lidocaïne de placenta passeert. Bij overdosering kan foetale depressie niet worden uitgesloten.
Bijwerkingen
Overgevoeligheidsreacties door het conserveermiddel of metabisulfiet. Ernstige bijwerkingen komen voor als gevolg van overdosering, te snelle resorptie en per abuis gegeven intravasculaire injectie. De reacties doen zich voor in twee vormen, van het centrale zenuwstelsel en het hartvaatstelsel. Symptomen van het centrale zenuwstelsel uiten zich als spraakstoornissen, licht gevoel in het hoofd, duizeligheid, wazig zien en tremoren, gevolgd door sufheid, convulsies, bewusteloosheid en eventueel ademhalingsstilstand. De cardiovasculaire reacties uiten zich als hypotensie en depressie van het myocard. Zij kunnen zowel het gevolg zijn van hypoxie, veroorzaakt door convulsies en apneu, als van een direct effect. Zelden neurologische reacties als gevolg van regionale anesthesie: paresthesie, parese of plegie van de onderste extremiteiten en verlies van sfinctercontrole.
Interacties
Potentiëring van de cardiovasculaire effecten van epinefrine bij gebruik van tricyclische antidepressiva, MAO-remmers, digoxine, β-blokkers en anaesthetica zoals halothaan. Gelijktijdig gebruik van β-blokkers of cimetidine kan de eliminatie van lidocaïne belangrijk vertragen. Het metabolisme kan worden geremd door CYP3A4-remmers, zoals proteaseremmers. Bij gelijktijdige toediening van fenytoïne kan een cardiodepressief effect optreden. Bij combinatie met anti-arrhythmica kan het effect op de atrioventriculaire geleiding worden versterkt. Gebruik van middelen die ernstige hypokaliëmie kunnen veroorzaken dient te worden vermeden, tenzij onder zorgvuldige controle van de serumkaliumconcentratie. Toediening van lokaal anaesthetica met vasoconstrictoren leidt tot langere werkingsduur met lagere bloedspiegels van het anaestheticum. Toediening van heparine, prostaglandinesynthetaseremmers en plasmavervangers (m.n. dextranen) kan neiging tot bloeden, na injectie van een lokaal anaestheticum, vergroten. Onder antistolling is controle van stollingsstatus noodzakelijk, met name bij epidurale of subarachnoïdale anesthesie vanwege het risico van aanprikken van een vat. Controle van de stollingsstatus kan nodig zijn na meervoudige medicatie met NSAID's.
Waarschuwingen en voorzorgen
Een bestaande hypokaliëmie voorafgaand aan de behandeling corrigeren. Bij verdenking van maligne hyperthermie geen lokaal anaesthetica van het amidetype gebruiken. Men dient rekening te houden met kruisovergevoeligheid met andere lokaal anaesthetica van het amidetype. Voorzichtigheid is geboden bij gebruik van metabisulfietbevattende oplossingen bij astmapatiënten; zij kunnen reageren met bronchospasmen en anafylactische shock. Overdosering kan toxische verschijnselen veroorzaken. Deze kunnen het best worden voorkomen door: 1. altijd de laagst mogelijke concentratie te gebruiken; 2. de injectie langzaam toe te dienen en daarbij enkele malen te aspireren ter voorkoming van intravasculaire injectie. Men moet extra voorzichtig zijn bij injecties in zeer vaatrijke gebieden, zoals in de mondholte, pararectaal, paravaginaal en in de penis. Bij retrobulbaire injectie kunnen door lekken naar de subarachnoïdale ruimte toxische reacties optreden (tijdelijke blindheid, cardiovasculaire collaps, apneu, convulsies etc.); bij hypovolemie kan bij bestaande centrale blokkade ernstige hypotensie en bradycardie optreden. Epinefrine kan door pupilverwijding de oogdruk verhogen en een aanval van acuut glaucoom veroorzaken.
Overdosering
Therapie: zuurstof, kunstmatige ademhaling en het hoofd omlaag. Ter bestrijding van convulsies: diazepam 5–10 mg i.v. Hypotensie behandelen met vocht + dopamine, asystolie met epinefrine en eventueel een pacemaker.
Dosering
De dosering aanpassen aan leeftijd, gewicht en conditie van de patiënt.
Infiltratieanesthesie bij kleine ingrepen (KNO): 25–150 mg; bij tonsillectomie: 100–150 mg aan beide zijden; bij grote ingrepen: 150–500 mg; geleidingsanesthesie, zoals perifere zenuwblokkade 30–200 mg; blokkade plexus brachialis 200–400 mg. Epidurale anesthesie: 150–400 mg. Sympathische zenuwblokkade: 50–200 mg. Als lokaal anaestheticum max. 500 mg/keer. Geleidings- of infiltratieanesthesie bij tandheelkundig ingrepen: vaak is ½ tot ¾ van een spuitampul Lignospan voldoende, bij meer uitgebreide ingrepen kunnen 2–3 ampullen nodig zijn.
Voor het inspuiten de oplossing op lichaamstemperatuur brengen, daar het injecteren van de koude oplossing pijnlijk is.
_____________________________________________________________
dit lost alles wel op